ECLI:NL:GHDHA:2017:3780
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- A.H.N. Stollenwerck
- A.N. Labohm
- L.H.M. Zonnenberg
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en partneralimentatie na echtscheiding met vergoedingsvordering erfdeel
In deze civiele zaak stond de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en de vaststelling van partneralimentatie centraal na de echtscheiding van partijen. De vrouw kwam in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam, waarin de echtscheiding was uitgesproken en de gemeenschap verdeeld. De man voerde incidenteel appel in met verzoeken tot levering van onroerend goed.
Het hof verklaarde de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het uitspreken van de echtscheiding, omdat deze reeds was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De partneralimentatie werd niet vastgesteld omdat de vrouw haar behoefte onvoldoende had gespecificeerd en onderbouwd, terwijl de man de stelling van samenwoning niet aannemelijk had gemaakt. De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap werd bevestigd met als peildatum 17 maart 2016 voor banksaldi en 1 augustus 2016 voor de waardering van onroerend goed.
De waardering van de woningen werd vastgesteld op respectievelijk € 320.000 en € 149.000, waarbij het hof een NVM-makelaar aanstelde voor een definitieve taxatie. De man had een vergoedingsvordering van € 148.000 op de gemeenschap wegens een onder uitsluitingsclausule verkregen erfenis die vermengd was met het gemeenschapsvermogen. Het hof oordeelde dat dit vergoedingsrecht kon worden geëffectueerd, omdat de vrouw geen bijzondere omstandigheden had gesteld die dit zouden verhinderen.
De incidentele verzoeken van de man tot levering van onroerend goed werden afgewezen, mede omdat de vrouw bereid was mee te werken aan overdracht. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof bepaalde dat partijen de banksaldi die nog niet in de verdeling waren betrokken, bij helfte moeten verdelen. De overbedelingsvordering van de man aan de vrouw werd vastgesteld op € 39.250.
De uitspraak bevestigt de uitgangspunten van het erfrecht en het huwelijksvermogensrecht, en benadrukt het belang van voldoende bewijs voor partneralimentatie en de correcte waardering en verdeling van gemeenschapsgoederen.
Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking voor echtscheiding, wijst partneralimentatie af, bevestigt verdeling gemeenschap met waardering onroerend goed en vergoedingsrecht man, en compenseert proceskosten.