Partijen zijn in 1993 in het buitenland gehuwd en hadden oorspronkelijk het huwelijksvermogensregime van hun land van herkomst. Na meer dan tien jaar verblijf in Nederland is volgens het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 het toepasselijke recht automatisch gewijzigd naar Nederlands recht per 17 juni 2003.
De vrouw vordert de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder twee auto's en een woning in het buitenland, en betaling van een voorschot. De man betwist het bestaan van een gemeenschap van goederen en stelt dat het buitenlandse recht van toepassing blijft, dat geen gemeenschap kent.
Het hof bevestigt dat het buitenlandse recht tot 17 juni 2003 geldt en Nederlands recht daarna. Er is geen rechtskeuze of huwelijkse voorwaarden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen gemeenschap van goederen bestond voor 2003. De auto's zijn na die datum verkregen en vallen onder de gemeenschap, waarvoor de verdeling wordt toegewezen.
De vrouw mag bewijs leveren over het gezamenlijk eigendom van de woning in het buitenland, die de man betwist. Het verzoek tot terugbetaling van een voorschot wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs. Het hof benoemt een raadsheer-commissaris en stelt voorwaarden voor bewijslevering en getuigenverhoor, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.