Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 december 2017
[appellante] ,
AHP Manufacturing B.V., h/o Wyeth Medica Ireland,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
fromBioland that they had full knowledge of the content of the waste and were satisfied to accept it on an on-going basis for treatment. (…)
nietmet MPA verontreinigde suikerwater geen gevaarlijke stof is als bedoeld in de EAL/EWC. Zij heeft daartoe verwezen naar artikel 6, waarin is bepaald dat als een afvalstof door een algemene of specifieke verwijzing naar gevaarlijke stoffen als gevaarlijk wordt aangeduid, de afvalstof alleen gevaarlijk is als deze stoffen in zodanige hoge concentraties aanwezig zijn dat de afvalstof een of meer van de in bijlage III van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad vermelde eigenschappen bezit. Wyeth verbindt hieraan de conclusie dat er alleen sprake is van een gevaarlijke afvalstof in de zin van Richtlijn 91/689/EEG als de betreffende stof op de lijst van Beschikking 2000/532/EG voorkomt en een van de gevaarlijke eigenschappen bezit.
indien dit niet mogelijk is(ii) een erkende inzamelaar, geregistreerd handelaar of makelaar (…)”.
met MPAverontreinigd was. Allereerst is de aanwezigheid van een kleurstof niet op voorhand verdacht als het suikerwater afkomstig is uit de limonade-industrie, zoals aan [C] kennelijk is verteld. Voorts is van belang dat Wyeth uitvoerig heeft betoogd dat het niet met MPA verontreinigde suikerwater niet gevaarlijk is en dat tussen partijen in confesso is dat ook het niet met MPA verontreinigde suikerwater van Wyeth rood van kleur was. Voor de conclusie dat de rode kleur onlosmakelijk met MPA verbonden was of dat de rode kleur aanleiding moest zijn om te veronderstellen dat het om farmaceutisch afval ging, is onvoldoende grond.
Beslissing
- beveelt partijen in persoon, als het om een rechtspersoon gaat, deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en (onbeperkt) bevoegd is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen in één der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te Den Haag op een door het hof in overleg met de advocaten van partijen nader te bepalen comparitiezitting, in verband waarmee de advocaten wordt verzocht om ter zitting van
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor de comparitie niet nodig is;
- verzoekt [appellante] om
- verzoekt Wyeth om
- bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden willen doen, zullen overleggen door deze