ECLI:NL:GHDHA:2017:4099
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling op grond van hardheidsclausule ondanks ontbreken goede trouw
Appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dat werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. De rechtbank baseerde dit oordeel onder meer op het niet tijdig doen van belastingaangiften en een parkeerboete.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zijn financiële situatie inmiddels onder controle heeft en dat hij sinds het staken van zijn ondernemingen geen nieuwe schulden heeft gemaakt. Tevens maakt hij gebruik van budgetbeheer en wordt hij ondersteund door zijn ex-partner. Het hof oordeelt dat ondanks het ontbreken van goede trouw bij een belangrijk deel van de schulden, de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat toelating tot de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is op grond van de hardheidsclausule.
Het hof benadrukt dat appellant zich aan alle verplichtingen van de regeling moet houden, waaronder het zoeken van werk en het opvolgen van aanwijzingen van de bewindvoerder, om de regeling succesvol af te ronden. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het hof wijst appellant toe tot de schuldsaneringsregeling op grond van de hardheidsclausule en vernietigt het vonnis van de rechtbank.