ECLI:NL:GHDHA:2017:411

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 februari 2017
Publicatiedatum
22 februari 2017
Zaaknummer
200.205.885/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 lid 3 FwArt. 285 FwArt. 288 lid 1 sub b Fw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en medewerking echtgenote

Appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling met een schuldenlast van €165.221,35. De rechtbank verklaarde appellant niet-ontvankelijk omdat de medewerking van zijn echtgenote, vereist op grond van het Turkse huwelijksvermogensrecht, ontbrak.

In hoger beroep verklaarde de echtgenote haar medewerking te verlenen, waardoor het hof appellant ontvankelijk achtte. Vervolgens onderzocht het hof of appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Het hof oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was, onder meer vanwege het ontbreken van een verklaring over een schuld aan de Belastingdienst en het ontbreken van ontstaansdata bij veel schulden.

Daarnaast achtte het hof onvoldoende aannemelijk dat appellant zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zou nakomen, mede vanwege zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal en het ontbreken van een sociaal vangnet. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende goede trouw en twijfel over nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.205.885/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/518521/ FT RK 16/2025

arrest van 21 februari 2017

inzake

[appellant],

wonende te Gouda,
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. E.J.W.F. Deen te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 19 december 2016, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 13 december 2016, waarbij [appellant] in zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk is verklaard. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 11 januari 2017 is nog een aantal producties aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2017. Aldaar zijn verschenen: [echtgenote], echtgenote van [appellant], vergezeld van de heer Duman (tolk) en mr. Deen. [appellant] is wegens gezondheidsproblemen niet ter zitting van het hof verschenen.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 20 september 2017 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 Fw Pro is sprake van een totale schuldenlast van € 165.221,35.
2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis - kort samengevat - als volgt overwogen. Ingevolge het Turkse huwelijksvermogensrecht kan er door het huwelijk van [appellant] en zijn echtgenote gemeenschappelijk vermogen ontstaan. Zonder toelichting – die ontbreekt – kan de rechtbank er niet van uitgaan dat iedere gemeenschap tussen [appellant] en zijn echtgenote is uitgesloten. [appellant] behoeft derhalve de in artikel 284 lid 3 Fw Pro bedoelde medewerking van zijn echtgenote. Nu van deze medewerking niet is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.
3. De echtgenote van [appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat zij haar medewerking verleent aan het verzoek van haar echtgenoot, als bedoeld in artikel 284 lid 3 Fw Pro. Het hof zal [appellant] dan ook ontvangen in zijn verzoek.
4. Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
5. Met inachtneming van dit criterium is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden. Het hof overweegt daartoe als volgt. Ook in hoger beroep heeft [appellant] geen afdoende verklaring gegeven over het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst uit 2011 die blijkens de crediteurenlijst € 22.425, - bedraagt. [appellant] heeft in hoger beroep geen schuldenoverzicht van de Belastingdienst overgelegd of andere stukken waaruit blijkt waar de schuld aan de Belastingdienst betrekking op heeft. Dat [appellant] ten aanzien van deze schuld in het geheel geen verwijt valt te maken is dan ook niet aannemelijk geworden. Verder ontbreken er op de crediteurenlijst gevoegd bij het verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro de ontstaansdata bij een groot aantal schulden. Hierdoor is het voor het hof niet mogelijk om te beoordelen of [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.
6. Daarnaast is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De raadsman van [appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat [appellant] de Nederlandse taal niet dan wel onvoldoende beheerst, waardoor het moeilijk is om met hem te communiceren. Verder is ter zitting van het hof gebleken dat de echtgenote van [appellant] in de Nederlandse taal het geheel niet beheerst. Dat [appellant] een zodanig sociaal vangnet heeft dat hij de nodige ondersteuning in de nakoming van de voornoemde verplichtingen heeft, is niet gesteld en ook niet gebleken.
7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd en dat het verzoek van [appellant] om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren dient te worden afgewezen.

Beslissing

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 december 2016;
en opnieuw rechtdoende:
wijst af het verzoek van [appellant] om de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. Vetter, K.I. Oyunlu en H.J. van Kooten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2017 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer.