ECLI:NL:GHDHA:2017:4251

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 april 2017
Publicatiedatum
3 augustus 2018
Zaaknummer
200.206.706/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:130 BWArt. 347 lid 1 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis inzake incasso bijdrage Vereniging van Eigenaren

In deze civiele zaak stond de incasso van een bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren (VVE) centraal. Appellant was het niet eens met het vonnis van de rechtbank Den Haag en ging in hoger beroep. Tijdens de procedure werd gebruikgemaakt van de Second Opinion-procedure (SO-procedure), waarbij partijen instemden met het SOR en de zaak beoordeeld werd op basis van de stand van zaken bij het vonnis van de kantonrechter.

Het hof nam het oordeel van de kantonrechter over en voegde hieraan toe dat het verweer van appellant, dat hij de werkzaamheden zelf wilde uitvoeren om kosten te besparen, niet opging vanwege het bepaalde in artikel 5:130 BW Pro. Op grond hiervan werd het bestreden vonnis bekrachtigd.

Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en liquidatietarief. Het arrest werd uitgesproken in een openbare terechtzitting op 25 april 2017 door het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.206.706/01
Zaak/Rolnummer rechtbank : 5028933 RL EXPL 16-12545

arrest van 25 april 2017

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: [appellant],
appellant,
advocaat: mr. J-F. Grégoire te Den Haag,
tegen

de vereniging VERENIGING VAN EIGENAARS VVE [naam]

gevestigd te [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: VVE,
advocaat: mr. J.J.A. Janssen te Wassenaar.

Het geding

Verwezen wordt naar het in deze zaak gewezen tussenarrest van 21 februari 2017 waarbij een comparitie van partijen na aanbrengen is bevolen. Tijdens de comparitie, die op 5 april 2017 heeft plaatsgevonden, hebben beide partijen toelating tot de Second Opinion-procedure (SO-procedure) verzocht en hebben de advocaten van partijen ieder een SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan en arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de SO-procedure

1. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht een conclusie van eis en een conclusie van antwoord als bedoeld in artikel 347, lid 1 Rv te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De enige grief luidt dat de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag, in het bestreden vonnis niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen [appellant] in eerste aanleg had geconcludeerd.
2. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop voor het laatst vonnis door de kantonrechter werd bepaald (artikel 3.6 SOR en de “Verklaring” in de SO-formulieren) en dus aan de hand van de stukken in eerste aanleg en de daarin betrokken stellingen.
3. Het hof neemt de overwegingen en het oordeel van de kantonrechter over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof overigens dat het verweer van [appellant] in zijn conclusie van antwoord in eerste aanleg dat hij de werkzaamheden zelf wil uitvoeren om de kosten te drukken (ook) afstuit op het bepaalde in artikel 5:130 BW Pro.
4. Het bestreden vonnis zal derhalve worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in hoger beroep worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, welke zullen worden begroot op het griffierecht (€ 716,--) en één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief (€ 632,--).

Beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt het door de rechtbank Den Haag, team kanton Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 12 september 2016;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van VVE tot op heden begroot op € 1.348,--.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking, M.A.F. Tan-de Sonneville en H.J.M. Burg; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.