ECLI:NL:GHDHA:2017:465

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 januari 2017
Publicatiedatum
1 maart 2017
Zaaknummer
200.202.552/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 1 aanhef en onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot schuldsaneringsregeling na bewezen beheersbaarheid psychische problemen

De appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van € 25.232,91. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij haar verplichtingen uit de regeling zou nakomen, mede vanwege onduidelijkheid over de beheersbaarheid van haar psychische klachten.

In hoger beroep heeft de appellant aangevoerd dat haar psychische problemen wel degelijk beheersbaar zijn, ondersteund door een aanvullende verklaring van haar psycholoog en een positieve beoordeling van haar consulent schulddienstverlening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof vastgesteld dat de appellant nauwgezet haar financiële zaken bijhoudt en saneringsgezind is.

Het hof oordeelt dat voldoende aannemelijk is geworden dat de appellant haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen en dat haar psychische gesteldheid stabiel is. Daarom vernietigt het hof het eerdere vonnis en spreekt het de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit, waarna de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor uitvoering.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.202.552/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/515477 FT RK 16/1645

arrest van 24 januari 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. R.H. Lussenburg te Renswoude.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 2 november 2016, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2016, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 21 november 2016 is nog een aantal producties aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017. Verschenen is: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellante] heeft op 26 juli 2016 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 25.232,91.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder c Fw). De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de verklaring van de psycholoog van [appellante] niet blijkt dat haar psychische klachten al enige tijd beheersbaar zijn.
3. [appellante] heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat haar psychische problemen al enige tijd beheersbaar zijn. Haar psycholoog heeft in de verklaring van 14 oktober 2016 slechts tot uitdrukking willen brengen dat een uitzicht op een einde van haar financiële problemen haar een groot stuk innerlijke rust zou opleveren en daardoor aan het verdwijnen van de psychische klachten een belangrijke positieve bijdrage zou leveren. Dit betekent echter niet dat haar psychische klachten niet beheersbaar zijn. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft [appellante] een nadere verklaring van haar psycholoog overgelegd waaruit, volgens [appellante] , blijkt dat de aanname van de rechtbank dat haar psychosociale problemen niet beheersbaar zijn, onterecht is. Verder blijkt uit de overgelegde verklaring van haar consulent schulddienstverlening van ISD Bollenstreek dat ook deze consulent [appellante] in staat acht om aan de verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling te voldoen.
4. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is in hoger beroep alsnog voldoende aannemelijk geworden dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. [appellante] heeft met de aanvullende verklaring van haar psycholoog in hoger beroep voldoende aannemelijk kunnen maken dat haar psychische gesteldheid stabiel is en haar psychische problemen al enige tijd beheersbaar zijn. Ook is aannemelijk geworden dat [appellante] saneringsgezind is. Zo blijkt uit de verklaring van 1 november 2016 van [naam consulent] , consulent schulddienstverlening van ISD Bollenstreek, dat [appellante] nauwgezet haar financiële zaken bijhoudt en alle verzochte stukken altijd tijdig en compleet heeft aangeleverd.
5. Nu niet gebleken is van beletselen die aan toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg staan, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitspreken.

De beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2016;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. F. Damsteegt-Molier, D. Aarts en P.W. van Baal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2017 in aanwezigheid van de griffier.