ECLI:NL:GHDHA:2017:489
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende goede trouw
Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toelating tot de schuldsaneringsregeling met een totale schuldenlast van €37.872,69, waaronder een belastingschuld van €9.667,-. De rechtbank wees het verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
In hoger beroep heeft het hof dit oordeel bevestigd. Hoewel appellante positieve ontwikkelingen toont, zoals budgetbeheer, aflossingen en begeleiding door maatschappelijk werk, wegen deze niet op tegen de ernst van de verwijtbaarheid. De belastingschuld is ontstaan door het niet juist informeren van de Belastingdienst over kinderopvangtoeslag, waarvoor zij verwijtbaar is. Daarnaast zijn er schulden die duiden op overbesteding, waaronder bij telecombedrijven en winkelketens, terwijl zij wist dat zij deze niet kon betalen.
Het hof concludeert dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Wel wordt opgemerkt dat bij bestendige verbetering een toekomstig verzoek tot toelating meer kans van slagen kan hebben.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw.