Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 21 maart 2017
[naam] ,
Stichting Staedion,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
tweede grief) staat niet vast dat in de woning prostitutie werd bedreven. Het blijkt niet uit de verklaring van [X] , er is geen melding van overlast geweest en uit het aantreffen van een enkel ongebruikt condoom en wc-rol op het nachtkastje is niet de conclusie te trekken dat sprake is van prostitutie. De verklaring van [X] acht [appellant] op een aantal punten aantoonbaar onjuist en volgens hem zijn haar door de politie woorden in de mond gelegd. [appellant] heeft een nadere verklaring van [X] in het geding gebracht, inhoudende dat zij hem in een bar heeft leren kennen, dat hij haar zijn huis aanbood omdat zij geen slaapplek had wat hij zielig voor haar vond, dat hij niet wist dat zij “dit” in zijn huis deed en dat zij hem er geen geld voor hoefde te geven.
derde griefbetoogt [appellant] , zo begrijpt het hof, dat de tekortkoming zo gering was dat ontbinding niet is gerechtvaardigd en dat zijn belang om over een woning te beschikken zwaarder weegt dan het belang van Staedion bij ontbinding en ontruiming. [appellant] wist niet en kon niet weten dat er prostitutie in de woning werd bedreven en bovendien was het slechts gedurende een korte periode.
vierde griefklaagt [appellant] erover dat de kantonrechter de belangen van Staedion heeft laten prevaleren boven de zijne. [appellant] heeft de woning in 2013 verkregen na eerst op verschillende locaties te hebben verbleven met woonbegeleiding; hij bewoonde de woning onder ambulante begeleiding van het Leger des Heils. De lange weg die hij heeft moeten afleggen om een woning te krijgen en zijn behoefte aan een stabiele woonomgeving leiden ertoe dat zijn belang om over de woning te beschikken veel groter is dan alleen het hebben van een dak boven zijn hoofd.
eerste griefbetreft de vraag of Staedion ten tijde van de beslissing van de kantonrechter spoedeisend belang had bij de gevorderde ontruiming. Het hof dient die grief in ieder geval met het oog op de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling te beoordelen. [appellant] heeft aangevoerd dat uit het tijdsverloop van bijna zes maanden tussen 1 december 2015 en het moment van aanspannen van het kort geding kan worden afgeleid dat Staedion geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft gehad. Voorts was de woning drie maanden na de ontruiming nog niet opnieuw verhuurd.
vijfde griefgeen zelfstandige betekenis heeft, zal het vonnis worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep.
Beslissing
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Staedion bepaald op € 718,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris voor de advocaat;
- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.