Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Expertisz B.V.,
2. [appellant 2],
3. Workfair Holding B.V.,
1.Gemeente Rotterdam,
2. DIVOSA, de landelijke vereniging van leidinggevenden van gemeentelijke diensten op het terrein van werk, inkomen en zorg,
- een factuur van 4 december 2009 voor € 57.120,- met als omschrijving: “
- een factuur van 4 december 2009 voor € 83.300,- met als omschrijving: “
- een factuur van 28 december 2009 voor € 71.400,- met als omschrijving: “
150 films, € 1200 per film + coördinatie en begeleiding 150 uur, € 60 per uur”.
- een factuur van 14 juni 2010 voor € 78.000,- voor een budget ten behoeve van “
- een factuur van 26 september 2010 voor € 111.860,- met als omschrijving: “
- een factuur van 9 december 2010 voor € 192.922,80 met als omschrijving: “
- een factuur van 20 april 2011 voor € 43.982,40 met als omschrijving: “
- een factuur van 13 april 2011 voor € 119.000,- met als omschrijving: “
- een factuur van 15 april 2011 voor € 119.000,- met als omschrijving: “
- een factuur van 18 april 2011 voor een bedrag van € 166.600,- met als omschrijving: “
- een factuur van 19 april 2011 voor € 119.000,- met als omschrijving: “
- een factuur van 13 april 2011 voor € 130.900,- gericht aan DAAD met als omschrijving: “
- een factuur van 29 januari 2010 voor € 55.930,- met als omschrijving: “
- een factuur van 29 januari 2010 voor € 82.110,- met als omschrijving: “
- een factuur van 1 februari 2010 voor € 69.972,- met als omschrijving: “
150 films x € 1200 per film= € 180.000, coördinatie en begeleiding 120 uur x € 60 per uur= € 7200,-“.
Afrekening van de Regionale Dag van de Stage 31,5 dagen inzet x 1.000 euro = 31.500 euro ex BTW + 5.985 euro (19% BTW) = 37.485 euro inclusief BTW”. Deze factuur correspondeert met een factuur van R-Time aan CID Beheer van 27 september 2010 voor een bedrag van € 38.080,- met als omschrijving: “
Zoals afgesproken met de heer [appellant 2] stuur ik u bijgaand een factuur voor de organisatie en begeleiding van de regionale Dag van de Stage op 6-10 a.s.: inzet diverse 32 dagen, € 1000 per dag”.
- een factuur van 14 februari 2011 voor € 45.934,- met als omschrijving: “
- een factuur van 19 april 2011 voor € 44.749,95 met als omschrijving: “
- een factuur van 31 mei 2011 voor € 29.750,- met als omschrijving: “
- een factuur van 13 augustus 2011 voor € 27.965,- met als omschrijving: “
- een factuur van 12 juli 2010 voor € 29.750,- met als omschrijving “
hierbij stuur ik u overeenkomstig de afspraak met de heer [betrokkene 1] (Daad Rotterdam) de factuur toe i.v.m. de projectondersteuning Fit-4-Work. Overeenkomstig deze afspraak betreft deze factuur: 60 dagen x € 1400 (ex btw) = 84.000 (ex btw) = € 15.960 (19% btw) = € 99.960 inclusief btw”.
Grief 1is gericht tegen overwegingen 4.9 en 4.65 van het vonnis, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de Gemeente Rotterdam c.s. ontvankelijk is in haar vorderingen. Volgens [appellanten] is de Gemeente Rotterdam c.s. uitsluitend houder en geen eigenaar geworden van ter beschikking gestelde subsidiegelden. Uitsluitend de Staat, dan wel de 25 gemeenten in de regio Rotterdam-Rijnmond gezamenlijk zijn gerechtigd deze gelden terug te vorderen, indien daar gronden voor zijn. Met g
rief 2komt [appellanten] op tegen overweging 4.12 van het vonnis. Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de Gemeente Rotterdam c.s. zeggenschap had over de gelden. De Gemeente Rotterdam kon niet zelfstandig besluiten hoe de regionale gelden voor het Actieplan Jeugdwerkloosheid werden aangewend, en ook Divosa was niet meer dan een “doorgeefluik”. Nu de Gemeente Rotterdam c.s. niet (zelfstandig) kon besluiten hoe de subsidiegelden werden aangewend, kan zij ook niet besluiten dat deze gelden op een onjuiste wijze zijn besteed en deze gelden terugvorderen. Met
grief 3bestrijdt [appellanten] overweging 4.14 van het vonnis, waarin de rechtbank het verweer heeft gepasseerd dat de inzet van de “tussenstations” rechtmatig was. Volgens [appellanten] is dat onjuist, omdat de “tussenstations” bedoeld waren als tijdelijke oplossing voor het betalingsprobleem van de Gemeente Rotterdam en om het AKO-ondersteuningsbudget veilig te stellen dat in 2009 gefactureerd moest worden, en de Gemeente Rotterdam c.s. van deze inzet van de “tussenstations” op de hoogte was en daarmee heeft ingestemd.
Grief 4komt op tegen overweging 4.17 van het vonnis, waarin de rechtbank het verweer heeft verworpen dat Expertisz subsidiegerechtigd was en deugdelijk heeft gepresteerd. Volgens [appellanten] hadden alle door Expertisz verrichte werkzaamheden betrekking op initiatieven ter bestrijding van jeugdwerkloosheid, en vielen deze werkzaamheden niet onder de ambtelijke aanstellingen van [appellant 2]. Ook was de Gemeente Rotterdam c.s. op de hoogte van de werkzaamheden van Expertisz en heeft zij daarmee ingestemd.
Grief 5is gericht tegen overweging 4.18 van het vonnis, waarin de rechtbank heeft geconcludeerd dat [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld. Deze overweging steunt op voorafgaande overwegingen die, gelet op de daartegen gerichte grieven, volgens [appellanten] niet in stand kunnen blijven. Verder heeft de Gemeente Rotterdam c.s. geen schade geleden, nu de ter beschikking gestelde gelden bij subsidiegerechtigde partijen terecht zijn gekomen, en zo dat al anders zou zijn geweest, deze gelden teruggestort hadden moeten worden aan de Staat. [appellanten] verwijt de rechtbank bovendien dat zij verschillende criteria heeft gehanteerd bij het bepalen of sprake is van onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] en [appellant 2], terwijl het in beide gevallen gaat om ambtenaren aangesteld bij de Gemeente Rotterdam. Volgens
grief 6heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat alle door de Gemeente Rotterdam c.s. aan de “tussenstations” betaalde bedragen door [appellanten] dienden te worden vergoed. In de eerste plaats heeft [appellanten] niet alle uitgekeerde subsidiegelden verkregen. Verder heeft de rechtbank [appellanten] ten onrechte veroordeeld om de gelden betaald aan Factordrie terug te betalen, aangezien niet [appellanten] maar [betrokkene 1] betrokken is geweest bij de inschakeling van Factordrie als tussenstation. Ten slotte is volgens [appellanten] sprake van eigen schuld van de Gemeente Rotterdam c.s., nu zij op de hoogte was van de inschakeling van de “tussenstations”. Met
grief 7komt [appellanten] op tegen de veroordelingen tot inzage/afgifte van stukken. Volgens [appellanten] zijn deze veroordelingen ongegrond, onder meer omdat niet is komen vast te staan dat [appellanten] onrechtmatig heeft gehandeld.
Grief 8is gericht tegen de toewijzing van de vorderingen tot betaling van wettelijke rente, de kosten van KPMG en proceskosten in conventie. Met
grief 9komt [appellanten] op tegen de afwijzing van de reconventionele vordering tot opheffing van de gelegde beslagen en de veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in reconventie. Deze laatste twee grieven steunen op de voorgaande grieven.
ook duidelijk [was] dat Divosa geen zeggenschap over deze middelen had”. Verder stelt [betrokkene 7] dat “…
de gemeente Rotterdam geen zeggenschap had over de voor andere gemeenten bestemde gelden en het regionale deel van het budget jeugdwerkloosheid”. De verklaring van [betrokkene 7] houdt echter geen rekening met de formele bevoegdheden zoals beschreven in de voorgaande overwegingen. Dat in de beleving van [betrokkene 7] de zeggenschap over de subsidiegelden niet door de Gemeente Rotterdam c.s. werd uitgeoefend doet er in ieder geval niet aan af dat deze gelden tot het vermogen van de Gemeente Rotterdam c.s. behoorden en de Gemeente Rotterdam c.s. derhalve gerechtigd is deze gelden terug te vorderen indien zij onrechtmatig aan haar vermogen zijn onttrokken. Het bewijsaanbod van [appellanten] in punt 42 van de memorie van grieven heeft daarom geen relevantie en zal worden gepasseerd.
methodisch kader Fit-4-Work en projectondersteuning”. KPMG heeft vastgesteld dat Het Gilde (een netwerk van verschillende partijen die actief waren op het gebied van “
het gedachtegoed van re-integratie en ontwikkeling vakmanschap”, zie pagina 81 van het KPMG 2-rapport) het methodisch kader Fit-4-Work heeft opgesteld. De Gouden Knop Beheer B.V. is een van de bij dit netwerk aangesloten partijen en verzorgde de facturering. De Gouden Knop Beheer B.V. heeft voor deze werkzaamheden in totaal € 89.131,- aan de Gemeente Rotterdam gefactureerd. Blijkens het KPMG 2-rapport heeft Expertisz dus een factuur gestuurd voor een methodisch kader dat door Het Gilde/De Gouden Knop Beheer B.V. is ontworpen en gedeclareerd. Bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft [appellanten] gesteld dat de factuur van 12 juli 2011 betrekking had op 60 dagen werk aan projectondersteuning ten behoeve van gemeenten in de regio. Die werkzaamheden zijn niet in overeenstemming met de omschrijving in de factuur. Verder valt uit het overzicht dat [appellanten] als productie 46 bij memorie van grieven heeft overgelegd slechts af te leiden dat [appellant 2] enkele e-mails heeft gestuurd met betrekking tot dit project. De Gemeente Rotterdam c.s. heeft naar aanleiding van deze factuur opgemerkt dat [appellant 2] uit hoofde van zijn aanstelling bij de Gemeente Rotterdam voorzitter was van het managementteam Fit-4-Work, en werkzaamheden ten behoeve van het project Fit-4-Work in dat kader zijn verricht. [appellanten] heeft een en ander niet gemotiveerd bestreden. [appellanten] heeft evenmin bestreden dat het bedrag van € 99.960,- uiteindelijk door de Gemeente Rotterdam is betaald, op basis van de facturen die Factordrie aan de Gemeente Rotterdam heeft gestuurd. Uit de e-mail wisseling tussen [appellant 2] en [betrokkene 5], overgelegd door de Gemeente Rotterdam c.s. als (onderdeel van) productie 27 bij conclusie van antwoord in reconventie, blijkt dat [appellant 2] ervan op de hoogte was dat Factordrie dit bedrag aan de Gemeente Rotterdam factureerde. Het factureren aan Factordrie van € 99.960,- voor niet verrichte werkzaamheden, in de wetenschap dat Factordrie dit bedrag aan de Gemeente Rotterdam doorberekende, is onrechtmatig jegens de Gemeente Rotterdam.
valsefacturen werden voldaan, is de vraag of de inzet van de “tussenstations” bekend was bovendien niet doorslaggevend. Ook wanneer die inzet bekend was, rechtvaardigt dat immers niet dat grote bedragen op basis van valse facturen werden voldaan. Het bewijsaanbod van [appellanten] met betrekking tot het bestaan van betalingsproblemen bij de Gemeente Rotterdam c.s. (punt 48 van de memorie van grieven) en de bekendheid bij de Gemeente Rotterdam c.s. met de inzet van “tussenstations” (punten 49 en 61 van de memorie van grieven) is daarom evenmin relevant en zal worden gepasseerd. Deels ten overvloede overweegt het hof nog het volgende.
Gemeente Rotterdam c.s.met de inzet van de “tussenstations” hebben ingestemd.
geenopenheid van zaken geeft als er vragen worden gesteld over facturen van “tussenstations”. Ten slotte stelt [appellanten] dat facturen van “tussenstations” door anderen dan hemzelf zijn geaccordeerd. Voor de facturen van R-Time en CID Beheer en de vier facturen die Factordrie als “tussenstation” heeft verzonden, geldt echter dat zij allemaal op last van [appellant 2] zijn betaald.
de financiële afwikkeling” en “
het contract dat u heeft afgesloten met Gratiae Entrepreneurs”) valt dat echter niet af te leiden. Deze stelling van [appellanten] gaat er bovendien aan voorbij dat [appellant 2] zelf de facturen accordeerde. Hij beschikte daarbij naar eigen zeggen over ruime bevoegdheden, wat meebrengt dat andere afdelingen van de Gemeente Rotterdam c.s. niet snel kritische vragen zullen hebben gesteld bij door [appellant 2] geaccordeerde facturen. Bovendien instrueerde [appellant 2] de “tussenstations” met betrekking tot de omschrijvingen in de facturen, juist met de bedoeling dat de facturen zo weinig mogelijk vragen zouden oproepen. Daarom kent het hof in dit verband ook geen betekenis toe aan het feit dat facturen die op aanwijzingen van [appellant 2] zijn opgesteld en door hem zijn geaccordeerd, ook door andere ambtenaren van de Gemeente Rotterdam c.s. zijn gezien en verwerkt.
rol (…) in de voorbereiding van de productie van deze films….. waarbij partijen zijn benaderd door Expertisz om hun medewerking te verlenen aan de films”,en, zo stelt hij,
“zijn er verscheidene gesprekken naderhand gevoerd over de vervolgacties” (conclusie van antwoord van [appellanten] in eerste aanleg, punt 120). [appellanten] erkent dat de films door MWR zijn vervaardigd, en bestrijdt ook niet dat deze door MWR zijn gefactureerd. De rol die Expertisz volgens [appellanten] heeft gehad is naar het oordeel van het hof echter vaag, en niet in overeenstemming met de omschrijving in de factuur. In ieder geval rechtvaardigt deze rol zonder nadere toelichting geen factuur voor een bedrag van € 82.110,-.
methodisch kader Fit-4-Work en projectondersteuning” is hiervoor reeds vastgesteld dat tegenover deze factuur geen reële werkzaamheden hebben gestaan die voor subsidiëring door de Gemeente Rotterdam c.s. in aanmerking hadden kunnen komen.
valsefacturen van de “tussenstations” werden voldaan. [appellanten] heeft ook niet gesteld dat de Gemeente Rotterdam c.s. vóór het onderzoek van KPMG op de hoogte was van het feit dat Expertisz werkzaamheden factureerde die zij niet had verricht.