Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 11 april 2017
de maatschap [X] en [Y] Maatschap,
[geïntimeerde ],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1voert de maatschap aan dat (ook) uit de schriftelijke verklaring van vader van 9 augustus 2016 volgt dat er tussen partijen sprake was van pacht.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat van de maatschap gevergd kan worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De maatschap voert aan dat de voorzieningenrechter een onjuiste maatstaf heeft toegepast, terwijl er bovendien zonder twijfel sprake is van pacht.
Grief 3komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het op de weg van de maatschap had gelegen een procedure te starten tot schriftelijke vastlegging van de door haar gestelde pachtovereenkomst bij de Pachtkamer en
grief 4is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het feit dat er in een dergelijke procedure niet voor februari 2016 (het hof begrijpt: 2017) een uitspraak is te verwachten, niet rechtvaardigt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Met
grief 5komt de maatschap op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet kan worden geconcludeerd dat de bodemrechter naar alle waarschijnlijkheid een zodanige opzegtermijn zal hanteren dat de maatschap het perceel in ieder geval het komende jaar nog zou mogen gebruiken. De maatschap herhaalt ter onderbouwing van deze grief (slechts) haar standpunt dat er sprake is van pacht.
Grief 6is gericht tegen de proceskostenveroordeling.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 18 november 2016;
- veroordeelt de maatschap in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde ] tot op heden begroot op € 314,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.