ECLI:NL:GHDHA:2018:1015
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen machtiging gesloten jeugdhulp wegens beëindiging noodzaak
De minderjarige was op grond van een beschikking van de rechtbank Rotterdam voorlopig onder toezicht gesteld en geplaatst in een gesloten instelling met een machtiging gesloten jeugdhulp tot 5 juni 2018. De minderjarige en zijn ouders gingen in hoger beroep tegen deze machtiging, stellende dat de noodzaak voor gesloten plaatsing was komen te vervallen en dat de minderjarige gemotiveerd was voor hulpverlening en school.
Tijdens de mondelinge behandeling verschenen de minderjarige, de raad, de ouders, de gecertificeerde instelling en de jongerencoach. De minderjarige betoogde dat hij zich niet zou onttrekken aan hulpverlening en dat de gesloten plaatsing disproportioneel was, mede vanwege het naderende eindexamen Frans dat hij beter thuis kon voorbereiden.
De raad en gecertificeerde instelling stelden dat de gesloten machtiging noodzakelijk bleef vanwege eerdere hulpverleningsproblemen en het risico op terugval bij terugkeer thuis. De jongerencoach benadrukte de motivatie van de minderjarige en betreurde het gebrek aan overleg over de gesloten plaatsing.
Het hof oordeelde dat de wettelijke vereisten voor de machtiging op het moment van de bestreden beschikking waren vervuld, maar dat deze gronden thans niet langer aanwezig waren. Er was geen gevaar meer voor onttrekking aan hulpverlening, en het belang van het examen en de motivatie van de minderjarige maakten gesloten plaatsing niet langer proportioneel. Het hof vernietigde daarom de machtiging voor de periode na 26 april 2018 en wees het verzoek tot verlenging af.
Uitkomst: De machtiging gesloten jeugdhulp wordt vernietigd voor de periode na 26 april 2018 en de gesloten plaatsing van de minderjarige wordt beëindigd.