ECLI:NL:GHDHA:2018:1107
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep mandelige muur en verjaring bij burenrechtelijke geschil
Appellanten zijn eigenaren van een pand naast dat van geïntimeerden. Geïntimeerden hebben in 2011 verbouwingen uitgevoerd waarbij muur B, die de scheidsmuur tussen de panden vormt, als buitenmuur van hun pand werd gebruikt. Appellanten stelden dat muur B onrechtmatig door geïntimeerden in medebezit was genomen en vorderden herstel en schadevergoeding.
Het hof oordeelt dat muur B mandelig is volgens artikel 5:62 lid 2 BW Pro en dat het medebezit van geïntimeerden niet onrechtmatig is. De stelling van appellanten dat muur B onrechtmatig in medebezit is genomen, wordt verworpen omdat de mandeligheid reeds vóór 1991 bestond, waardoor het beroep op verjaring slaagt.
Verder zijn de vorderingen wegens onrechtmatig aangebrachte werken en onderhoud afgewezen, omdat appellanten onvoldoende hebben onderbouwd dat er nadeel of schade is toegebracht. Ook de vordering tot vergoeding van onderhoudskosten wordt afgewezen, omdat het onderhoud betrekking had op het deel van muur B dat eigendom is van appellanten.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellanten tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellanten af wegens verjaring en onvoldoende onderbouwing.