ECLI:NL:GHDHA:2018:1176

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2018
Publicatiedatum
17 mei 2018
Zaaknummer
22-000014-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 184 SrArt. 172a GemeentewetArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bedreiging politieagente en overtreden gebiedsverbod

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor bedreiging van een politieagente door met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op haar te richten en voor het meermalen niet voldoen aan een gebiedsverbod opgelegd door de burgemeester van Zoetermeer.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 13 juli 2017 de politieagente bedreigde met een nepvuurwapen, wat in de schemering als een echt wapen kon worden aangezien, en zich op meerdere momenten in juli 2017 in het gebied begaf waar hij volgens het gebiedsverbod niet mocht komen.

De verdediging voerde aan dat de bedreiging niet overtuigend bewezen was omdat het wapen op de grond was gericht en er niets werd gezegd, maar het hof verwierp dit. Gezien de ernst van de feiten, de eerdere veroordelingen van de verdachte en zijn gebrek aan verantwoordelijkheid, legde het hof een zwaardere straf op dan de politierechter.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 30 dagen, waarvan 27 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 80 uur, die bij niet-naleving kan worden vervangen door 40 dagen hechtenis. De vordering tot immateriële schadevergoeding van de politieagente werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van rechtens relevante schade.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het inbeslaggenomen nepvuurwapen werd onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf, waarvan 27 voorwaardelijk, en 80 uur taakstraf wegens bedreiging en overtreden gebiedsverbod.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000014-18
Parketnummer: 09-142638-17
Datum uitspraak: 30 april 2018
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1998,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 16 april 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de benadeelde partij en omtrent het in beslag genomen voorwerp zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:
hij op of omstreeks 13 juli 2017 te Zoetermeer [aangeefster] en/of een of meer onbekend gebleven personen/kinderen op de openbare weg heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [aangeefster] en/of die personen/kinderen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangeefster] en/of die personen/kinderen te tonen;
2:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 11 juli tot en met 13 juli 2017 te Zoetermeer opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [x] krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a, eerste lid, onder a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Zoetermeer, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 26 juni 2017 om 00.00 uur en 25 september 2017 om 23.59 uur niet (stilstaand) mocht bevinden in/op het Croesinckplein en/of de Diederik van Teijlingenlaan, door, zich op 11 juli 2017 omstreeks 15.40 uur en/of op 13 juli 2017 omstreeks 21.45 uur op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:
hij op
of omstreeks13 juli 2017 te Zoetermeer [aangeefster]
en/of een of meer onbekend gebleven personen/kinderen op de openbare wegheeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling, door een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op die [aangeefster]
en/of die personen/kinderen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [aangeefster] en/of die personen/kinderen te tonen;
2:
hij
op een of meer tijdstip(pen) gelegenin de periode van 11 juli tot en met 13 juli 2017 te Zoetermeer opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een gebiedsverbod, kenmerk [x] krachtens een wettelijk voorschrift, te weten artikel 172a, eerste lid, onder a van de Gemeentewet, gedaan door of namens de burgemeester van Zoetermeer, in elk geval een ambtenaar als bedoeld in artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht, eerste en/of tweede lid, inhoudende dat hij, verdachte, zich in de periode gelegen tussen 26 juni 2017 om 00.00 uur en 25 september 2017 om 23.59 uur niet (stilstaand) mocht bevinden in/op het Croesinckplein en
/ofde Diederik van Tei
jlingenlaan, door
,zich op 11 juli 2017 omstreeks 15.40 uur en
/ofop 13 juli 2017 omstreeks 21.45 uur op een openbare weg of plaats gelegen in voornoemd gebied te bevinden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – conform zijn overgelegde pleitaantekeningen – op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde bedreiging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij - kort gezegd - aangevoerd dat niet uit het dossier volgt dat de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij aangeefster de redelijk vrees kon ontstaan dat zij werd bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling. Daarbij merkt de raadsman op dat de verdachte het wapen niet op de agente, maar op de grond heeft gericht en dat de verdachte daarbij niets gezegd.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat in dit geval de bedreiging wel degelijk van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat deze in het algemeen een dergelijke vrees op zou kunnen wekken.
In het onderhavige geval kreeg aangeefster (een politieambtenaar) een melding dat een jongeman (naar het hof begrijpt: een vriend/bekende van verdachte) met een vuurwapen achter kinderen aanliep. Zij ging daarop ter plaatse waar zij omstreeks 22:00 ’s avonds (en derhalve na zonsondergang) aankwam. De verdachte kwam vervolgens op de aangeefster afgelopen en hield een door aangeefster als vuurwapen herkend voorwerp schuin in haar richting.
Het betrof weliswaar naar later bleek een nepvuurwapen, maar het hof overweegt in dit verband dat zeker in de schemering een dergelijk nepvuurwapen zich licht laat aanzien voor een echt vuurwapen. Ook vanwege deze laatste omstandigheid acht het hof de verklaring van aangeefster dat zij bang was dat de verdachte het wapen tegen haar zou gebruiken om haar te verwonden, geloofwaardig.
Gezien voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het door verdachte richten van een (nep)vuurwapen in de richting van aangeefster in ieder geval in het onderhavige geval dient te worden aangemerkt als een handeling die van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat deze in het algemeen de redelijke vrees bij aangeefster kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Aldus dient verdachtes handelen te worden gekwalificeerd als (strafbare) bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van strafrecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging van een politieagente. Politieambtenaren vervullen een belangrijke rol in onze samenleving en zij dienen hun taak dan ook ongehinderd uit te oefenen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het meermalen niet voldoen aan een gebiedsverbod. Door aldus te handelen heeft de verdachte een bevel, door het openbaar gezag gegeven ter handhaving van de openbare orde, genegeerd.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 maart 2018, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Tijdens de behandeling ter terechtzitting is het hof voorts gebleken dat verdachte het laakbare van zijn handelen jegens aangeefster (en de daarmee ook voor hem en de omgeving ontstane risico’s) niet wenst in te zien. Verdachte blijkt ook anderszins geen verantwoordelijkheid te (willen) nemen voor bijvoorbeeld opleiding, werk of zelfs maar een zinvolle dagbesteding.
Deze attitude baart het hof ernstige zorgen en maakt dat het hof de kans op recidive bovengemiddeld acht. Het voorgaande is voor het hof tevens aanleiding een zwaardere straf dan in eerste aanleg op te leggen, waarbij het hof door oplegging van een niet onaanzienlijk voorwaardelijk strafdeel tevens beoogt verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke of andere strafbare feiten te begaan.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.
Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]
In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 310,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 310,-.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat zeker geloofwaardig is dat de benadeelde partij geschrokken is van het incident, maar dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de benadeelde partij ook sprake was van een zodanige aantasting in de persoon dat er juridisch kan worden gesproken van voor vergoeding in rechte in aanmerking komende immateriële schade.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 184 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
27 (zevenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Wapen.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] tot schadevergoeding af.
Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. A. Kuijer,
mr. M.J.J. van den Honert en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 april 2018.
Mr. M.S. Ferenczy is buiten staat dit arrest te ondertekenen.