ECLI:NL:GHDHA:2018:1189
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing schorsingsvordering en proceskostencompensatie in familierechtelijke procedure
In deze zaak is de man in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 januari 2017, waarin zijn vordering tot schorsing van een eerder kort geding werd afgewezen. Het geschil spitst zich toe op de proceskosten in hoger beroep nadat de man op 12 september 2017 verzocht om royement van de procedure.
Het hof stelt vast dat het geschil niet tegen beter weten is ingesteld, mede gelet op de ernstige financiële problemen van de man en zijn concern, zoals blijkt uit de geconsolideerde jaarrekening 2015 en verklaringen van zijn accountant. Dit rechtvaardigt het voorleggen van het vonnis aan de appelrechter.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 237 Rv Pro de proceskosten tussen echtgenoten in beginsel worden gecompenseerd, tenzij sprake is van een procedure die tegen beter weten is ingesteld of weinig met de familierelatie te maken heeft. Dit is hier niet het geval. Daarom wordt de proceskostenveroordeling afgewezen en draagt ieder zijn eigen kosten.
Ten slotte leidt het verzoek van de man tot royement tot de conclusie dat hij zich neerlegt bij het oordeel van de voorzieningenrechter. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en wijst het overige af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.