Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 april 2018
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
De vordering van de man
- Of de man zijn stamvermogen bij het aangaan van het huwelijk - en dan in het bijzonder de waarde van de polis ASR [nr een] - alsnog met de vordering van de vrouw op de man uit hoofde van het verrekenbeding kan verrekenen. De man heeft in zijn reconventionele vordering in eerste aanleg, conclusie van antwoord tevens eis in reconventie - zie randnummer 26 - gesteld dat de waarde van de ASR-polis [nr een] op het moment van het huwelijk in mindering moet worden gebracht op de waarde van de polis op de peildatum van de vaststelling van de verrekenvordering zijnde 17 mei 2010. Volgens de man had de ASR-polis op het moment van het aangaan van het huwelijk een waarde van € 5.713,04. Deze waarde moet in mindering worden gebracht op de waarde op de peildatum zijnde € 36.806,-. In de visie van de man moet dus in de verrekening worden betrokken een bedrag van € 31.092,96.
- Zijn partijen met elkaar een overeenkomst aangegaan inhoudende dat de man de helft van de rechten uit de ASR-lijfrentenpolissen [nr twee] , [nr drie] , [nr vier] en [nr vijf] aan de vrouw zou overdragen? Gezien het tussen partijen bestaande huwelijksgoederenregime - uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen - behoren de rechten uit de polissen lijfrenteovereenkomsten tot het vermogen van de man. De vrouw stelt in haar stukken dat de polissen moeten worden gesplitst. In goederenrechtelijke zin is zulks niet mogelijk aangezien de rechten voortvloeiende uit de lijfrenteovereenkomsten niet behoren tot enige gemeenschap van partijen. Uitgaande van de visie van de vrouw dient de man zijn rechten uit de polissen lijfrenteovereenkomsten aan de vrouw over te dragen.
(tussenbeschikking van dit hof van 9 juli 2014)dat het voorhuwelijkse vermogen van partijen niet in de verrekening dient te worden betrokken, maar het gerechtshof heeft voorts overwogen dat het niet kan vaststellen dat gedurende de huwelijkse periode de op naam van de man staande polissen uit het privévermogen van de man zijn gefinancierd. Het betoog van de man dat de polis levensverzekering voor een waarde van € 31.092,96 in de verrekening moet worden betrokken heeft het gerechtshof daarmee verworpen. Het gerechtshof heeft immers blijkens het dictum van de beschikking van 1 juli 2015 het oordeel van de rechtbank dat de polis levensverzekering voor een waarde van € 36.806,- in de verrekening dient te worden betrokken niet vernietigd. Aan dit oordeel is de man gebonden. Hij heeft van de beschikking van 1 juli 2015 geen cassatie ingesteld, zodat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.”.
€ 36.806,- in de verrekening wordt betrokken, doet er niet aan af dat de man verrekening kan vorderen van de waarde van de polis op het moment van het aangaan van het huwelijk, namelijk € 5.713,04. De grief van de man treft derhalve doel.
€ 18.633,02. Het vorenstaande impliceert dus dat de vordering van de vrouw uit hoofde van het verrekenbeding met een bedrag van € 3.086,54 moet worden verminderd.
in het geheelniet mogelijk is er dan verrekening dient plaats te vinden. Uit de overweging blijkt niet dat de rechtbank bedoeld heeft dat indien splitsing of afkoop per peildatum niet mogelijk is er dan verrekening plaats dient te vinden. De koppeling met de peildatum wordt in die overweging niet gelegd. Gebleken is dat splitsing tegen een toekomstige datum mogelijk is. Verrekening van de polissen en daarmee de waarde van de polissen is dus niet aan de orde.”.
- Kern is dat de polissen alle op naam van de man stonden;
- De gekozen peildatum door partijen markeert niet alleen de afwikkeling van de polissen;
- Tussen partijen is niet in geschil geweest dat de waarden van de bestanddelen herleid diende te worden tot de peildatum;
- De vrouw had op basis van de gemaakte afspraken geen recht op splitsing als zodanig, maar recht op de uitkering van de waarde. Die uitkering per peildatum kon gemaximeerd worden door middel van splitsing;
- Juist indachtig de gekozen methodiek heeft de man aangegeven dat de vrouw geen recht heeft op splitsing op een later moment.
- Vasstaat tussen partijen dat als peildatum voor de vermogensrechtelijke afwikkeling van de polissen geldt 17 mei 2010. Partijen hebben gekozen voor splitsing en inherent daaraan is dat de waarde van de polissen dan niet wordt verrekend;
- Een materiële splitsing van de polissen per die datum (het hof begrijpt 17 mei 2010). Wat de waarde van de polissen was, is als gevolg van de keuze om de polissen te splitsen ook niet meer relevant;
- Door de polissen bij helfte te splitsen, hebben partijen een discussie over de waarde - mede vanwege de fiscale gevolgen van de, van de polissen deel uitmakende lijfrenteclausule - voorkomen/afgesloten;
- De vrouw merkt in dit verband op dat de rechtbank heeft geoordeeld dat alleen tot verrekening van de waarde dient te worden overgegaan indien de betreffende polissen niet kunnen worden gesplist, hetgeen niet het geval is;
- Voorts brengt de vrouw nog het Haviltexcriterium onder de aandacht. Redelijke en objectieve uitleg van zowel de huwelijkse voorwaarden en de keuze van partijen om de polissen bij helfte te splitsen brengt met zich mee dat de vrouw mocht verwachten dat de waardeontwikkeling van de te splitsen polissen vanaf de peildatum ook tussen partijen bij helfte zou worden verdeeld, zodat ieder van hen vanaf 17 mei 2010 een gelijke vermogensontwikkeling ten aanzien van deze polissen zou doormaken;
- In randnummer 24 stelt de vrouw dat als de man de bruto waarde van de polissen netto aan de vrouw uitkeert, dit leidt tot een dubbele belastingheffing.