Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : 5366153 CV EXPL 16-38079
arrest van 8 mei 2018
Stichting 3B Wonen,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grieven 1 tot en met 3van Stichting 3B Wonen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en richten zich tegen de door de kantonrechter gehanteerde maatstaf in het kader van de beoordeling van de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst, de bewijswaardering en de laatste kans die de kantonrechter [geïntimeerde sub 1] heeft gegeven. De kantonrechter heeft volgens Stichting 3B Wonen ten onrechte overwogen (in r.o. 4.2 van het tussenvonnis) dat er sprake moet zijn van ernstige en structurele overlast gedurende een langere periode en vervolgens - na een daartoe strekkende bewijsopdracht - ten onrechte geoordeeld dat Stichting 3B Wonen niet is geslaagd in het haar opgedragen bewijs daarvan (r.o. 2.6 van het eindvonnis). Stichting 3B Wonen stelt zich op het standpunt dat het feit dat [geïntimeerde sub 1] zijn afspraken uit de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen een tekortkoming oplevert die op zichzelf genomen al de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Bovendien volgt de verplichting tot het niet mogen veroorzaken van overlast reeds uit artikel 10.2 van de algemene huurvoorwaarden en artikel 7:213 BW Pro. In de nakoming daarvan was [geïntimeerde sub 1] al eerder tekortgeschoten door de overlast die hij destijds, voorafgaand aan de eerste procedure, heeft veroorzaakt, zodat de tekortkomingen niet van geringe betekenis zijn. De kantonrechter had de vorderingen van Stichting 3B Wonen dan ook direct kunnen toewijzen. Door [geïntimeerde sub 1] nogmaals een laatste kans te geven (in r.o. 2.9 van het eindvonnis) terwijl hij al een laatste kans heeft gehad door de gesloten vaststellingsovereenkomst, zouden laatste kans contracten in juridisch opzicht geen toegevoegde waarde meer hebben, aldus Stichting 3B Wonen.
grieven 1 tot en met 3kunnen gelet op het voorgaande daarom niet tot vernietiging van het vonnis leiden.
vierdegrief op tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 2.2 van het eindvonnis dat de vordering jegens [geïntimeerde sub 1] niet-ontvankelijk zal worden verklaard nu niet is gesteld noch gebleken dat het bewind over de goederen van [geïntimeerde sub 1] is opgeheven. Stichting 3B Wonen voert hiertegen aan dat het bewind tijdens de gerechtelijke procedure of kort daarna kan worden beëindigd en dat daarom de vorderingen dienen te worden toegewezen zoals gevorderd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen het geval dat de bewindvoering nog voortduurt en het geval dat deze is geëindigd. Nu deze grief uitgaat van een toewijzing van de vordering van Stichting 3B Wonen en derhalve afhankelijk is van het slagen van de eerdere grieven, hoeft deze grief gelet op het voorgaande verder niet afzonderlijk besproken te worden.