Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 13 februari 2018
[appellant] ,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
De hoofdsom is direct opeisbaar en dient met de lopende rente en de eventueel achterstallige rente te worden (terug)betaald, indien en zodra zich een of meer van de navolgende gevallen voordoet, te weten:
Behoudens voorzoveel het het geval in het vorige lid sub a omschreven betreft, is bij opeising conform het in lid 1 van dit artikel bepaalde naast het opgeëiste bedrag tevens een bedrag verschuldigd gelijk aan drie maanden extra rente over het opgeëiste bedrag.
Doordat [naam 1] de bouwbegeleiding niet doet, zit daar wel ruimte in.
Kan je het geld van Achmea (25.000 euro) direct doorboeken, zodra je het hebt ontvangen? Doe maar naar mij prive: [nummer].”.
Akkoord […] , zodra ik het geld heb ontvangen zend ik het door naar [nummer].”.
Jouw 25 zijn vandaag overgeboekt naar de opgegeven bankrekening.”.
algeheletoewijzing van de in eerste aanleg door appellant ingestelde vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.
Grief 1richt zich tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in 2.2 en 2.4 van het bestreden vonnis. Het hof heeft in dit arrest de feiten, voor zover nodig, opnieuw vastgesteld. Nu een juiste vaststelling van de feiten niet tot een ander oordeel leidt, heeft [appellant] geen belang bij deze grief.
Grief 1is derhalve tevergeefs voorgesteld.
grief 2komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de betaling van € 25.000 door Euraco aan [appellant] heeft te gelden als aflossing van de privélening van [geïntimeerde] . Uit de door de rechtbank aangehaalde e-mailcorrespondentie blijkt volgens [appellant] op geen enkele wijze dat [geïntimeerde] privé zijn privé lening afloste of dat Euraco dat namens hem zou doen dan wel zou hebben gedaan. In de toelichting op de grief voert [appellant] aan dat deze betaling niet betreft een terugbetaling van de privé lening van [geïntimeerde] , maar ziet op een doorstorting vanuit het bouwdepot welke [appellant] op de rekening van Euraco had voorgeschoten c.q. uitgeleend. In het kader van het project Boerhaave vonden in de periode 2010 en 2011 over en weer meerdere betalingen plaats tussen Euraco en [appellant] privé. Dit betrof bedragen die door Euraco bij PVF Achmea werden geclaimd uit het bouwdepot en vervolgens werden doorbetaald aan [appellant] /Stichting Boerhaave, die de financiering bij PVF Achmea had aangevraagd ten behoeve van het project Boerhaave. Uit de e-mails van 8 en 15 november 2010 volgt dat er een betaling van € 25.000 afkomstig van Achmea door Euraco wordt doorgeboekt naar [appellant] privé. Door de overboeking op 16 november 2010 ontving [appellant] zijn aan Euraco uitgeleende geldbedrag dus retour zoals blijkt uit de omschrijving ‘terugboeking lening’, aldus [appellant] .
grief 2slaagt.
grief 3heeft de rechtbank zich in reconventie ten onrechte een oordeel gevormd over een eventuele vordering van Euraco op Stichting Boerhaave c.q. [appellant] . [appellant] voert daartoe aan dat Euraco noch Stichting Boerhaave partij zijn in dit geschil en dat Euraco geen vordering heeft op [appellant] , maar een schuld. Nog afgezien van de vraag of deze grief is gericht tegen een specifieke overweging van de rechtbank, heeft [appellant] geen belang bij deze grief omdat de rechtbank de vordering in reconventie heeft afgewezen zodat deze grief tevergeefs is voorgesteld.
Grief 4is gericht tegen de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten. [appellant] voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een aanmaning aan [geïntimeerde] waarbij een betalingstermijn van 14 dagen in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW Pro is gegeven. Los van de vraag of de brief van 19 juni 2015 waarop [appellant] zich beroept aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro voldoet, stelt het hof vast dat deze brief niet meer omvat dan een gebruikelijke aanmaning, terwijl [appellant] ook niet heeft onderbouwd dat de incasso-werkzaamheden meer hebben omvat dan de gebruikelijke werkzaamheden voor het samenstellen van het dossier en het versturen van een enkele, eventueel herhaalde, aanmaning. Onder die omstandigheden komen de gevorderde incassokosten niet voor toewijzing in aanmerking en faalt
grief 4reeds daarom.
grief 1komt [geïntimeerde] op tegen de verschrijving in het dictum van de rechtbank in 5.2 wat betreft de datum aan de hand waarvan de boeterente dient te worden berekend. Het hof stelt vast dat ook uit de overwegingen van de rechtbank onder 4.9 tot en met 4.12 blijkt dat de datum per wanneer de boeterente is verschuldigd 24 januari 2013 moet zijn (in plaats van 24 januari 2012), zodat deze grief slaagt.
Grief 2is gericht tegen het dictum van de rechtbank in 5.1 en de berekening van de contractuele rente. In de toelichting op deze grief voert [geïntimeerde] aan dat de in het dictum vermelde datum waarop de renteaflossing van € 3.600 heeft plaatsgevonden en aan de hand waarvan de contractuele rente is berekend, een verschrijving is. In dit verband stelt het hof vast dat de rechtbank in overweging 4.7 uitgaat van een bedrag van € 3.600 als renteaflossing op de in het geding zijn lening per 20 januari 2012 en dat de rechtbank ook in overweging 2.6 heeft vastgesteld dat betaling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2012. Dit betekent dat de in het dictum genoemde datum voor de betreffende renteaflossing, te weten per 20 januari 2013, berust op een (kennelijke) verschrijving. Deze zal door het hof worden gecorrigeerd, zodat dit onderdeel van
grief 2reeds slaagt.
grief 2slaagt derhalve.
Grief 3van [geïntimeerde] tenslotte richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in conventie onder 4.15 en 4.22 waarin het verrekeningsverweer van [geïntimeerde] wordt verworpen en daarmee samenhangend tegen de beslissing van de rechtbank in reconventie onder 4.16 t/m 4.19 waarbij de reconventionele vordering van [geïntimeerde] wordt afgewezen. In de toelichting op de grief voert [geïntimeerde] aan dat Euraco op grond van onverschuldigde betaling in ieder geval een vordering op [appellant] had ten bedrage van € 42.470. Euraco heeft immers zonder rechtsgrond van de bedragen die zij van PVF in het kader van het project Boerhaave ontving teveel aan [appellant] doorbetaald. Euraco heeft deze vordering op [appellant] aan [geïntimeerde] gecedeerd en die vordering dient thans verrekend te worden met de vordering van [appellant] op hem. Indien Euraco voor wat betreft deze vordering verhaal moet halen bij Stichting Boerhaave, stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat [appellant] jegens hem en Euraco onrechtmatig heeft gehandeld door gelden van de financiering ten behoeve van het project Boerhaave bewust aan te wenden voor andere projecten, terwijl het btw-bedrag over het totale eindbedrag niet door [appellant] /Stichting Boerhaave is betaald aan Euraco. [appellant] is derhalve op die grond in privé aansprakelijk voor de schulden van Stichting Boerhaave, indien en voor zover Stichting Boerhaave geen verhaal mocht bieden, aldus [geïntimeerde] .
Grief 3faalt daarom.
Beslissing
opnieuw rechtdoende: