ECLI:NL:GHDHA:2018:1546

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2018
Publicatiedatum
22 juni 2018
Zaaknummer
22-004641-17
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in woninginbraak met diefstal te Maassluis

Op 15 juni 2017 vond een woninginbraak plaats te Maassluis waarbij geld en een horloge werden gestolen. Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof het bewijs onderzocht, waarbij de herkenning van verdachte en zijn medeverdachte door een getuige centraal stond.

Het hof oordeelde dat de signalementsopgave door de aangever aan de getuige onvoldoende onderscheidend was, waardoor de herkenning niet overtuigend kon worden geacht. Ook de latere verklaringen van de aangever waren onvoldoende om het bewijs te versterken, mede vanwege mogelijke beïnvloeding na de aanhouding.

Verder ontbraken aanvullende objectieve bewijzen zoals forensisch onderzoek naar weggeworpen voorwerpen en nader getuigenverhoor. Gezien deze tekortkomingen sprak het hof verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, en de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd eveneens afgewezen. Inbeslaggenomen voorwerpen werden aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij de woninginbraak en diefstal.

Uitspraak

Rolnummer: 22-004641-17
Parketnummers: 10-741294-17 en 10-166311-15 (tul)
Datum uitspraak: 19 juni 2018
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2017 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 5 juni 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vordering van de benadeelde partij met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, de vordering tot tenuitvoerlegging en omtrent inbeslaggenomen voorwerpen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 juni 2017 te Maassluis om (ongeveer) 05:20 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een woning gelegen aan de [x]) heeft weggenomen een geldbedrag (2800 euro) en/of een horloge, in elk geval enig goed en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] en/of de moeder van die [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), zulks nadat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), die weg te nemen goederen en/of een geldbedrag onder zijn/hun bereik had(den) gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel, te weten door met een (ontvreemde) sleutel, althans een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren, om voornoemde woning te betreden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat op 15 juni 2017 uit de woning van [aangever] aan de [x] te Maassluis goederen zijn gestolen.
In de onderhavige zaak zou, gegeven het beschikbare bewijsmateriaal, de kern van de bewijsconstructie neer moeten komen op de herkenning van de verdachte en zijn medeverdachte door getuige [getuige] als personen die voldoen aan het signalement dat aangever haar op 15 juni 2017 gaf van de beide personen die hij in de voorafgaande nacht zijn woning zag verlaten en heeft achtervolgd. Aangezien het dossier het aldus door de aangever aan [getuige] genoemde signalement niet vermeldt, gaat het hof ervan uit dat dit signalement overeenkwam met het door de aangever ‘s-nachts aan de politie opgegeven signalement, zoals kenbaar uit de dossierpagina’s 35 (proces-verbaal van bevindingen) en 37 e.v. (aangifte).
De summiere en daardoor onvoldoende onderscheidende signalementsopgave door de aangever aan de hand waarvan getuige [getuige] zou moeten worden geacht tot herkenning van de verdachte en zijn medeverdachte te zijn gekomen, levert naar het oordeel van het hof onvoldoende overtuiging op voor de conclusie dat [getuige] in de aangehouden verdachten de door de aangever achtervolgde personen heeft herkend. Bij gevolg kan aan de verklaring van [getuige] dan ook niet de voor een bewezenverklaring noodzakelijke betekenis worden toegekend.
Dit hiaat wordt niet voldoende gedicht door de verklaringen van identificerende strekking die de aangever na aanhouding van de verdachten heeft afgelegd. Het kan immers niet worden uitgesloten dat aangever in zijn waarneming en herinnering door contact met [getuige] en of door het gedrag van de beide verdachten bij aanhouding is beïnvloed. In dit verband noopt de rechter tot behoedzaamheid dat de aangever eerst na zijn aanwezigheid bij de aanhouding van de verdachten heeft verklaard over een bril, over een wijze van spreken en over andere details. Voorts verdient opmerking dat de aangever pas in het derde contact dat hij na aanhouding van de verdachten met de politie had, op 17 juni 2017, met stelligheid heeft verklaard een van de aangehouden verdachten te herkennen.
Ofschoon er naar het oordeel van het hof in de fase van het opsporingsonderzoek alle aanleiding bestond voor nader onderzoek van objectieve gegevens, zoals forensisch technisch onderzoek naar de tijdens de achtervolging weggeworpen witte plastic tas en zaklantaarn, forensisch technisch onderzoek in de woning van de aangever en het nader horen van getuige [getuige 2], mede met het oog op een confrontatie met de aangehouden verdachten, ontbeert het dossier resultaten van dergelijk onderzoek die aanvullend bewijs zouden kunnen hebben opgeleverd.
Het hof is alles overwegende van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vordering tot schadevergoeding [aangever]
In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 4.570,82, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 4.570,82, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, ook waar het de beslissing van de rechtbank inzake de vordering van de benadeelde partij betreft.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 2 december 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, ook waar het de beslissing van de rechtbank inzake de vordering tot tenuitvoerlegging betreft.
Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.
Beslag
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, ook waar het de beslissing van de rechtbank inzake het beslag betreft.
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
 Samsung telefoon
 Geldbedrag van € 420,00
zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Wijst afde vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam van 4 september 2017, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 2 december 2015, onder parketnummer 10-166311-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Gelast de
teruggave aan de verdachtevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
 Samsung telefoon
 Geldbedrag van € 420,00
Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. A.M.P. Gaakeer en mr. R.M. Bouritius, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 juni 2018.