ECLI:NL:GHDHA:2018:1666
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ondertoezichtstelling minderjarigen wegens ontbreken ernstige ontwikkelingsbedreiging
Het gerechtshof Den Haag heeft op 13 juni 2018 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Den Haag van 8 februari 2018, waarbij minderjarigen onder toezicht waren gesteld. De vader was in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en verzocht vernietiging van de ondertoezichtstelling.
De feiten betreffen een echtscheiding waarbij de vader en moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben en de minderjarigen feitelijk bij de vader verblijven. Het geschil betreft de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen voor de periode van 8 februari 2018 tot 8 februari 2019. De vader stelt dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat de minderjarigen goed functioneren zonder hulpbehoefte.
De raad voor de kinderbescherming erkent dat het goed gaat met de kinderen, maar baseert de ondertoezichtstelling op het niet tot stand komen van een omgangsregeling met de moeder. De gecertificeerde instelling bevestigt dat de minderjarigen geen zorgen geven en dat de ouders niet met elkaar communiceren.
Het hof overweegt dat een ondertoezichtstelling alleen kan worden opgelegd indien sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van het kind en dat het ontbreken van een omgangsregeling op zichzelf onvoldoende is. Gezien de feiten en de jurisprudentie van de Hoge Raad concludeert het hof dat de ondertoezichtstelling niet gerechtvaardigd is en wijst het verzoek van de raad af. Tevens wijst het hof het verzoek van de vader om de raad in de proceskosten te veroordelen af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling af wegens het ontbreken van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.