ECLI:NL:GHDHA:2018:1684
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vader tot eenhoofdig gezag over minderjarige na echtscheiding
Na de echtscheiding van de ouders oefenden zij gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, dat haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft. De vader verzocht de rechtbank om het gezag eenhoofdig aan hem toe te wijzen, stellende dat de moeder problemen veroorzaakt bij de gezamenlijke gezagsuitoefening en dat de minderjarige daar last van heeft. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vader in hoger beroep ging.
In hoger beroep voerde de vader aan dat de moeder onder meer ten onrechte politie en crisisdiensten op hem afstuurt en dat de minderjarige zich niet veilig voelt bij familieleden van de moeder. Hij stelde dat artikel 1:266 BW Pro analogisch toegepast zou moeten worden omdat de moeder niet binnen een redelijke termijn de opvoeding weer op zich zou nemen. De moeder ontkende deze beschuldigingen en benadrukte haar medewerking aan hulpverlening.
De gecertificeerde instelling gaf aan zich te richten op het vinden van passende hulpverlening en wachtte de uitkomsten van diagnostiek af. Het hof oordeelde dat er onvoldoende grond was om het gezamenlijk gezag te beëindigen en dat het belang van de minderjarige juist vraagt om betrokkenheid van beide ouders bij de hulpverlening. Het beroep op analogische toepassing van artikel 1:266 BW Pro werd verworpen, omdat uitsluitend artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is bij beëindiging van gezamenlijk gezag.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking van de rechtbank en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof heeft het verzoek van de vader om eenhoofdig gezag toe te wijzen afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.