ECLI:NL:GHDHA:2018:1826

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2018
Publicatiedatum
24 juli 2018
Zaaknummer
200.213.812/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 353 lid 1 RvArt. 843b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over rentevergoeding en opeisbaarheid bij verkoop echtelijke woning na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest van 1978 tot 2006 en sloten in 2005 een echtscheidingsconvenant met afspraken over de echtelijke woning, waaronder een rentevergoeding van 4% per jaar over de overwaarde, ingaande 1 januari 2007, die pas opeisbaar zou zijn bij verkoop van de woning.

De woning is nog niet verkocht, waarna de vrouw betaling van de rentevergoeding vorderde. De kantonrechter wees dit af omdat de rente pas opeisbaar is bij verkoop. De man kwam in hoger beroep en stelde dat de finale kwijting van 2014 ook deze vordering omvatte, waardoor de vrouw niets meer kan vorderen.

Het hof oordeelt dat de man onvoldoende belang heeft bij zijn hoger beroep, omdat zijn grief niet tot een ander oordeel leidt dan het bestreden vonnis. De vrouw faalt in haar stelplicht om de rentevergoeding anders uit te leggen dan de kantonrechter deed, mede omdat zij geen eenduidige stelling innam en bewijslevering achterwege bleef.

Het hof bekrachtigt het vonnis dat de rentevergoeding pas opeisbaar is bij verkoop van de woning en wijst de vorderingen van de vrouw in incidenteel appel af. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk en bekrachtigt het vonnis dat de rentevergoeding pas opeisbaar is bij verkoop van de woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie
Zaaknummer : 200.213.812/01
Rol-/zaaknummer rechtbank : 4790836 RL EXPL 16-3207

arrest d.d. 12 juni 2018

inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,
hierna te noemen: de man ,
advocaat: mr. J.H. Pelle te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats]
geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.C.E.G. Cordesius te Den Haag.

Het geding

Bij exploot van 3 april 2017 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 februari 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde gewezen.
Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar wat daarover in het bestreden vonnis is vermeld.
Bij memorie van grieven heeft de man één grief geformuleerd.
De vrouw heeft een memorie van antwoord genomen waarin zij de grief heeft weersproken. Tevens heeft zij incidenteel appel ingesteld.
De man heeft een memorie van antwoord in het incidenteel appel genomen.
Vervolgens hebben partijen onder overlegging van hun procesdossiers arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten
1. Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 1978 tot [datum] 2006.
Zij zijn op 22 juni 2005 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) overeengekomen. Hierin is – voor zover van belang – het navolgende opgenomen:
“4. Partijen hebben in gemeenschappelijke eigendom de woning aan het [volgt adres] .
Het aandeel in de onverdeelde eigendom van de vrouw in deze woning zal aan de man worden overgedragen; de man draagt de kosten hiervan; de op deze woning rustende hypotheek staat op naam van de man en de vrouw gezamenlijk; deze hypotheek zal op naam van de man worden gesteld. (...)
5. De vrouw verkrijgt ten titel van vermogensoverheveling een vordering op de man ter grootte van 50% van de overwaarde per 1 januari 2006; de overwaarde wordt vastgesteld door partijen op € 100.000,= (verschil tussen de geschatte vrije verkoopwaarde en de op de woning rustende hypotheeklast per 1 januari 2006).
Op de vordering, althans het restant daarvan, wordt een vergoeding van 4% per jaar betaald, ingaande 1 januari 2007.
Indien de man de woning aan het [volgt adres] verkoopt zal hij op het moment van eigendomsoverdracht de vordering (of het restantdeel daarvan indien hij tussentijds deels aflost) van de vrouw als bedoeld in dit punt in één keer aan haar betalen.
18. Het staat de man vrij eerder betalingen aan de vrouw te doen ter zake de vorderingen van de vrouw op de man voornoemd.”
2. Tussen partijen is eerder een procedure aanhangig geweest bij de rechtbank Den Haag betreffende vorderingen uit het convenant onder zaak/rolnummer C/09/442296/HA ZA 13-499. Ter comparitiezitting van 4 april 2014 hebben partijen een overeenkomst gesloten ter beëindiging van hun geschil. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. In het proces-verbaal is – voor zover hier van belang – opgenomen:

“13. Partijen verklaren dat, nadat de verplichtingen uit hoofde van bovenstaande punten over en weer zijn nagekomen, zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben ter zake van de in het geding zijnde kwestie en zij verlenen elkaar reeds nu voor alsdan ter zake over en weer finale kwijting.”

3. De woning aan het [volgt adres] is nog niet verkocht.
4. De vrouw heeft in eerste aanleg – kort gezegd – gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot betaling van € 16.000,=, vermeerderd met rente en kosten. De vrouw heeft daarbij een beroep gedaan op de in de tweede zin van artikel 5 van Pro het convenant opgenomen vergoeding van 4% per jaar, vermeerderd met rente en kosten.
De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen op de grond dat deze pas opeisbaar is zodra de woning is verkocht. De vrouw is in de proceskosten veroordeeld.
In het principaal appel
5. De man vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt, en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw wederom afwijst maar dan op andere gronden, te weten dat onderhavige vordering wel onderdeel uitmaakte van het schikkingsproces-verbaal van 4 april 2014 en het kwijtingsbeding geacht wordt betrekking te hebben op alle onderdelen van het convenant zodat de vrouw niets meer van de man heeft te vorderen. Met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.
6. De man voert aan dat de vrouw in genoemde procedure met een totale vordering van € 149.084,22 alle gemaakte afspraken in het convenant en alle daaruit voortvloeiende verplichtingen ter beoordeling aan de rechter heeft voorgelegd. De finale kwijting die over en weer is verleend geldt dan ook voor alle onderdelen van het convenant. Partijen hebben met de vaststellingsovereenkomst van 4 april 2014 en het daarin opgenomen kwijtingsbeding een alomvattende definitieve regeling willen treffen met betrekking tot hun geschillen voortvloeiende uit het echtscheidingsconvenant. De man stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter dit verweer ten onrechte en zonder motivering heeft verworpen.
7. De vrouw bestrijdt dit en stelt dat de procedure zich is gaan toespitsen op de in het convenant genoemde polissen. Met betrekking tot de woning was alleen het tijdstip van opeisbaarheid van de vergoedingen een geschilpunt, maar niet de verschuldigdheid van de vergoedingen als zodanig. De finale kwijting heeft geen betrekking op de in het convenant opgenomen vorderingen ter zake de woning.
8. Het hof stelt het volgende voorop. De man is in eerste aanleg in het gelijk gesteld; de vorderingen van de vrouw zijn afgewezen op grond van het door hem - als meer subsidiair - gevoerde verweer dat de vordering van de vrouw pas opeisbaar is na verkoop van de woning. Uit het bepaalde in artikel 3:303 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) vloeit voort dat geen rechtsmiddel toekomt aan hem die daarbij geen voldoende belang heeft. De man vordert weliswaar vernietiging van het bestreden vonnis, maar de grief die hij aanvoert leidt – indien deze zou slagen - niet tot een ander dictum dan dat van het bestreden vonnis: afwijzing van de vorderingen van de vrouw. De man heeft dan naar het oordeel van het hof ook onvoldoende belang bij zijn hoger beroep en hij moet hierin niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor zover het in hoger beroep geformuleerde petitum erop gericht is een dictum te verkrijgen dat méér inhoudt dan een afwijzing van de vordering, in die zin dat dit tevens een verklaring voor recht zou moeten inhouden dat de onderhavige vordering van de vrouw wel onderdeel uitmaakt van het schikkingsproces-verbaal van 4 april 2014 en het kwijtingsbeding geacht wordt betrekking te hebben op alle onderdelen van het convenant, is sprake van een nieuwe eis in reconventie. Artikel 353 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijk rechtsvordering staat hieraan in de weg.
Het hof zou op grond van de devolutieve werking mogelijk wel toekomen aan een hernieuwde beoordeling van het door de man gevoerde verweer betreffende de verleende finale kwijting in het proces-verbaal van 4 april 2014, indien de grieven van de vrouw in het incidenteel appel zouden slagen. Zoals hieronder blijkt is dit niet het geval.
In het incidenteel appel
9. De vrouw vordert:
primair:het bestreden vonnis te vernietigen voor wat betreft het gedeelte dat betrekking heeft op de opeisbaarheid van de rentevordering van de vrouw op de man uit hoofde van de tweede alinea van artikel 5 van Pro het convenant en, opnieuw rechtdoende, te verklaren voor recht dat haar vordering ter zake deze rentevergoeding reeds opeisbaar is en deze haar toe te wijzen zodat zij deze kan incasseren;
subsidiair:de man te bevelen op grond van artikel 843b Rv de geheimhoudingsplicht van mr. [naam bemiddelaar] jegens hem op te heffen (voor zover nodig alleen op dit punt) en mr. [naam bemiddelaar] onder ede te laten verklaren omtrent zijn bedoeling met artikel 5 van Pro het convenant en vervolgens het bestreden vonnis te vernietigen voor wat betreft het gedeelte dat betrekking heeft op de opeisbaarheid van de rentevordering van de vrouw op de man uit hoofde van de tweede alinea van artikel 5 van Pro het convenant en, opnieuw rechtdoende, te verklaren voor recht dat haar vordering ter zake deze rentevergoeding opeisbaar is en deze haar toe te wijzen zodat zij deze kan incasseren,
en primair en subsidiair:de man te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede het geding in eerste aanleg inclusief salaris advocaat.
10. De vrouw heeft geen expliciete grieven geformuleerd. Het hof begrijpt dat haar bezwaren tegen het bestreden vonnis zien op het passeren van haar bewijsaanbod met betrekking tot de uitleg van het convenant door de kantonrechter. De vrouw wenst dat het hof mr. [naam bemiddelaar] als getuige oproept en, zo nodig, de man beveelt mr. [naam bemiddelaar] ontheffing te verlenen van zijn geheimhoudingsplicht.
11. De vraag ligt voor of de in de tweede alinea van artikel 5 van Pro het convenant opgenomen vergoeding opeisbaar is met ingang van januari 2007 of eerst als de woning is verkocht. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het convenant zonneklaar bepaalt dat de vordering pas opeisbaar is zodra de woning is verkocht. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat gelet op de bewoordingen van de bepaling onder “vordering” ook de cumulatieve rente valt. De vrouw staat een andere uitleg van het convenant voor. Door haar is niet bestreden dat de bewijslast van deze uitleg bij haar ligt.
Het hof stelt voorop dat het convenant moet worden uitgelegd conform de Haviltex maatstaf: het komt niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de bewoordingen, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Door de vrouw wordt echter geen eenduidige stelling ingenomen ten aanzien van de vragen die bij de uitleg relevant zijn. Zij geeft immers aan dat zij wenst dat mr. [naam bemiddelaar] als getuige wordt opgehoord “om duidelijkheid te verschaffen over de bedoeling en de achtergrond van artikel 5 van Pro het door mr. [naam bemiddelaar] opgestelde convenant” [1] . En: “aangezien partijen beiden absolute leken zijn op het gebied van juridische en financiële zaken, is artikel 5 namelijk Pro bedacht door mr. [naam bemiddelaar] zelf” [2] . In eerste aanleg is ook door de advocaat van de vrouw in de conclusie van repliek aangegeven dat de vraagstelling aan mr. [naam bemiddelaar] zou moeten zijn wát de bedoeling en de achtergrond van artikel 5 omtrent Pro de vergoeding van 4 % per jaar ingaande 1 januari 2007 is geweest, omdat partijen het zelf niet weten en ook niet zelf hebben bedacht; zij konden er beiden ter zitting niets inhoudelijks over zeggen [3] . De vrouw stelt weliswaar dat de renteclausule van artikel 5 is Pro afgesproken júist met de reden dat de man de woning nog lang niet ging verkopen en dat zij intussen gecompenseerd zou worden voor het feit dat zij moest blijven wachten op haar overwaardetoedeling [4] , maar deze stelling berust op een interpretatie achteraf door de vrouw en houdt geen stellingname in over de zin die
partijenop het tijdstip van het sluiten van de het convenant over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het hof komt tot de slotsom dat door de vrouw niet is voldaan aan haar stelplicht. Aan bewijslevering komt het hof dan ook niet toe.
12. De vorderingen in incidenteel appel moeten worden afgewezen. Het Hof zal het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigen.
Proceskosten
13. De vrouw heeft gevorderd dat de man in de kosten van de procedure in eerste aanleg wordt veroordeeld, maar heeft geen inhoudelijk grief tegen de beslissing ten aanzien van de proceskosten van de kantonrechter gericht. Het bestreden vonnis wordt ook op dit punt bekrachtigd. Ten aanzien van de kosten in hoger beroep overweegt het hof als volgt: nu zowel de grieven in principaal als in incidenteel appel niet slagen, is het redelijk de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:
In principaal appel:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
In incidenteel appel:
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
In principaal en incidenteel appel:
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, P.B. Kamminga en I. Obbink-Reijngoud en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Memorie van grieven, randnummer 46
2.Memorie van grieven, randnummer 49
3.Conclusie van repliek, randnummer 15
4.Memorie van grieven, randnummer 50