ECLI:NL:GHDHA:2018:1839

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 mei 2018
Publicatiedatum
27 juli 2018
Zaaknummer
200.224.283/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:432 BWArt. 1:449 lid 2 BWArt. 1:391 BWArt. 30p Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing onderbewindstelling wegens herstel financieel beheer

De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter Den Haag die het verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling van de rechthebbende had afgewezen. De onderbewindstelling betrof de goederen die aan de rechthebbende toebehoren.

De rechthebbende stelde dat de noodzaak voor het bewind niet langer aanwezig was. Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro het bewind kan worden opgeheven indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting niet zinvol is. Tijdens de zitting verklaarde de bewindvoerder dat de financiële situatie van de rechthebbende stabiel is geworden en dat deze nu zelfstandig zijn belastingaangifte doet.

Verder bleek dat zowel de rechthebbende als zijn echtgenote een baan hebben en gezamenlijk voldoende inkomen om hun uitgaven te dekken en schulden af te lossen. De echtgenote bevestigde dat zij samen een goed financieel beheer voeren. Het hof concludeerde dat het bewind niet langer noodzakelijk of zinvol is en besloot het bewind per 9 mei 2018 op te heffen.

De bestreden beschikking werd vernietigd voor zover deze de periode vanaf heden betrof. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier werd verzocht de uitspraak aan de rechtbank te zenden voor registratie.

Uitkomst: De onderbewindstelling is per 9 mei 2018 opgeheven wegens het ontbreken van de noodzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.224.283/01
Zaaknummer rechtbank : 6095724 EJ VERZ 17-91827
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 30p Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering
Proces-verbaal van een ter openbare zitting gedane mondelinge uitspraak van de meervoudige familiekamer van het gerechtshof Den Haag van 9 mei 2018, waar tegenwoordig waren: mr. E.A. Mink, voorzitter, mr. F.R. Salomons en mr. J. van der Hoeven, leden van het hof, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier,
inzake
[appellant] ,
voorheen wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat mr. S.J. Veltkamp te Waddinxveen.
Als belanghebbenden zijn aanmerkt:
1. [de echtgenote] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: de echtgenote van de rechthebbende;
2. [de bewindvoerder]
gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.
Verschenen zijn:
  • de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de echtgenote van de rechthebbende;
  • de bewindvoerder, in de persoon van [naam bewindvoerder] .
Na de mondelinge toelichting heeft het hof de zitting geschorst voor overleg in raadkamer. Na hervatting van de zitting heeft het hof op de voet van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

De beoordeling

1. In geschil is de opheffing van de onderbewindstelling betreffende de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende.
2. De rechthebbende verzoekt in zijn op 29 september 2017 ingekomen beroepschrift de beschikking van de kantonrechter Den Haag van 26 juli 2017, hierna: de bestreden beschikking, te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn verzoek tot opheffing van het bewind alsnog toe te wijzen. Bij de bestreden beschikking is het verzoek tot opheffing van het ingestelde bewind over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende, afgewezen.
3. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW Pro, alsmede ambtshalve.
4. Het hof is van oordeel dat de bovengenoemde wettelijke gronden voor de onderbewindstelling van de rechthebbende niet langer aanwezig zijn. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard dat de situatie van de rechthebbende in financieel opzicht stabiel is geworden. De rechthebbende is in de afgelopen periode in staat gebleken een goed beheer over zijn financiën te voeren, waarbij hij nu ook zijn belastingaangifte zelfstandig doet. Het hof neemt voorts in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat de rechthebbende inmiddels over een baan beschikt (evenals zijn echtgenote) en dat hun inkomen als gevolg daarvan ruim voldoende is om hun gezamenlijke uitgaven te bekostigen en daarnaast af te lossen op de laatste, in omvang beperkte, schuld. Ook de echtgenote van de rechthebbende heeft ter zitting verklaard dat zij en de rechthebbende in staat zijn samen een goed beheer over hun financiën te voeren. Gelet op het voorgaande is de onderbewindstelling naar het oordeel van het hof niet langer noodzakelijk en zinvol gebleken, zodat het hof het bewind zal opheffen en wel met ingang van heden.

De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de periode vanaf heden en, in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het inleidend verzoek van de rechthebbende in zoverre alsnog toe en heft het eerder ingestelde bewind over de goederen, toebehorende aan [de rechthebbende] , geboren [in] 1985 te [geboorteplaats] , op en wel met ingang van 9 mei 2018;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Den Haag in verband met de aantekening in het curatele- en bewindregister;
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
De voorzitter deelt mede dat het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak binnen veertien dagen na heden aan partijen zal worden verstrekt. De voorzitter sluit de zitting.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat conform artikel 30p lid 4 Rv is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Afschrift aan partijen verzonden op: 17 mei 2018