Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
- de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;
- de echtgenote van de rechthebbende;
- de bewindvoerder, in de persoon van [naam bewindvoerder] .
Gerechtshof Den Haag
De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter Den Haag die het verzoek tot opheffing van de onderbewindstelling van de rechthebbende had afgewezen. De onderbewindstelling betrof de goederen die aan de rechthebbende toebehoren.
De rechthebbende stelde dat de noodzaak voor het bewind niet langer aanwezig was. Het hof overwoog dat op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro het bewind kan worden opgeheven indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting niet zinvol is. Tijdens de zitting verklaarde de bewindvoerder dat de financiële situatie van de rechthebbende stabiel is geworden en dat deze nu zelfstandig zijn belastingaangifte doet.
Verder bleek dat zowel de rechthebbende als zijn echtgenote een baan hebben en gezamenlijk voldoende inkomen om hun uitgaven te dekken en schulden af te lossen. De echtgenote bevestigde dat zij samen een goed financieel beheer voeren. Het hof concludeerde dat het bewind niet langer noodzakelijk of zinvol is en besloot het bewind per 9 mei 2018 op te heffen.
De bestreden beschikking werd vernietigd voor zover deze de periode vanaf heden betrof. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier werd verzocht de uitspraak aan de rechtbank te zenden voor registratie.
Uitkomst: De onderbewindstelling is per 9 mei 2018 opgeheven wegens het ontbreken van de noodzaak.