Verzoeker werd op 4 november 2016 op staande voet ontslagen door Media Markt wegens ongeoorloofd verzuim en werkweigering. Hij stelde dat hij ten tijde van het ontslag ernstig psychisch ziek was, waardoor hij niet in staat was tijdig te reageren of zich ziek te melden. Hij ontving vanaf 1 november 2016 een Ziektewetuitkering van het UWV.
De kantonrechter verklaarde het verzoek tot vernietiging van het ontslag niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijke vervaltermijn van twee maanden was ingediend. Verzoeker voerde aan dat toepassing van deze vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, maar dit werd verworpen.
Het hof bevestigde dat hoewel de vervaltermijn onder omstandigheden buiten toepassing kan worden gelaten, dit in deze zaak niet aan de orde was. Uit medische stukken bleek weliswaar ernstige psychische ziekte, maar verzoeker had te lang gewacht met het indienen van het verzoek, ook nadat hij vanaf juni 2017 bijstand kreeg. De ontvangst van de ontslagbrief in november 2016 werd als aannemelijk geacht.
Het hof oordeelde dat Media Markt niet eerder dan medio 2017 op de hoogte was van de arbeidsongeschiktheid van verzoeker, en dat de vervaltermijn ook dient om de werkgever niet lang in onzekerheid te laten. Daarom werd het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.