Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[executeur 1] ,
3.[X] ,
primairalsnog partieel verdeelt door toedeling van alle aandelen van Assurantiekantoor […] B.V. aan [appellant] met verrekening van het aan [appellant] toekomende erfdeel, onder de gelijktijdige veroordeling dat dezelfde waarde van deze aandelen wordt toebedeeld aan [executeur 1] overeenkomstig de in productie 10 (bij de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte wijziging van eis in incidenteel appel) vermelde waarde van deze aandelen (van € 35.049,-) met veroordeling van [appellant] om op straffe van een dwangsom binnen vier weken na het wijzen van eindarrest alle noodzakelijke (rechts)handelingen te verrichten in verband met deze toedeling ten behoeve van Assurantiekantoor […] B.V., waaronder het inschrijven van een nieuwe bestuurder, het aanpassen van de gegevens in de Kamer van Koophandel, het informeren van de Belastingdienst en het wijzigen van de bankgegevens,
subsidiair, voor recht verklaart dat [executeur 1] en [executeur 2] gemachtigd zijn alle (rechts)handelingen te verrichten, noodzakelijk om Assurantiekantoor […] B.V. te kunnen ontbinden en liquideren, onder gelijktijdige benoeming van [executeur 1] en [executeur 2] als vereffenaar van deze B.V., alsmede [appellant] ertoe veroordeelt dat hij de administratie van deze B.V. onder zich houdt gedurende tien jaren, althans tot het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn en deze, indien nodig ter uitoefening van, bij of krachtens de wet gegeven controlebevoegdheden, aan de bevoegde instanties asbestvrij zal verstrekken, alsmede deze administratie na afloop van de wettelijke bewaartermijn conform de geldende regels zal vernietigen;
grief 5in het principaal appel te behandelen, nu deze grief betrekking heeft op de voornaamste concrete bezwaren van [appellant] tegen het optreden van [executeur 1] en [executeur 2] als executeurs. Vervolgens zal het hof achtereenvolgens de
grieven 4, 1, 2, 7, 8 en 9in het principaal appel behandelen (grief 3 ontbreekt). Daarna zal het hof de grieven in het incidenteel appel behandelen De behandeling van
grief 6in het principaal appel, die betrekking heeft op de proceskostenveroordeling, vindt plaats aan het slot van het arrest.
Grief 5keert zich tegen het oordeel van de rechtbank (r.o. 4.5.14 van het bestreden vonnis), dat [executeur 1] en [executeur 2] hebben gehandeld als een goed executeur en dat zij geen schadevergoeding aan de boedel of aan [appellant] verschuldigd zijn.
twee algemene bezwaren
de aanvullende betaling van € 52.719,- aan [X] ter zake van de nalatenschap van moeder
de ring
koopsom pand [S]
pand [H]
schuldverrekening
totaleschuld hadden moeten verrekenen met zijn erfdeel en dat hij in dat geval geen rente meer verschuldigd was geweest over de door zijn vader aan hem verstrekte lening. Volgens [appellant] was het bedrag van € 200.989,88 dat na de levering van het pand te [S] op 18 oktober 2013 werd gestort op de derdenrekening van de notaris ruim voldoende om daarmee de vordering van de nalatenschap op [appellant] , die per 25 maart 2014 € 129.815,36 beliep, te verrekenen. Per saldo overtreft het aandeel van [appellant] in de nalatenschap het bedrag van de vordering van de nalatenschap op hem met ruim € 70.000,-. [appellant] is dan ook – zo voert hij aan – nimmer in verzuim geweest met zijn verplichtingen uit de lening en ten onrechte vorderen de executeurs dan ook vanaf 18 oktober 2013 een rente van 3,5%.
grief 5gedeeltelijk slaagt en dat de nalatenschap jegens [appellant] geen aanspraak kan maken op de contractuele rente over de schuld van [appellant] aan de nalatenschap uit hoofde van de geldlening vanaf 30 oktober 2015. Hierdoor valt de nalatenschap lager uit dan door [executeur 1] en [executeur 2] is berekend. Voor een verplichting tot schadevergoeding door [executeur 1] en [executeur 2] ziet het hof geen grond, nu nadeel van [appellant] wordt ondervangen doordat de nalatenschap geen aanspraak kan maken op rente vanaf 30 oktober 2015.
Grief 4houdt in dat de rechtbank ten onrechte:
grief 4dan ook.
Grief 4slaagt wel op het punt van de bij de omvang van de nalatenschap in aanmerking genomen executeursloon. In plaats van het bedrag van 8.854,- dient uitgegaan te worden van een bedrag aan executeursloon van € 4.400,- dat is toegekend bij beschikking van 12 mei 2016 van de kantonrechter te Rotterdam.
Grief 1keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de taak van de executeurs nog niet is voltooid (r.o. 4.1.1, hof). De taak van de executeurs is op grond van het testament om de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan, te voldoen. Hun taak eindigt (onder meer) wanneer hun werkzaamheden als zodanig zijn voltooid. Ook de executeurs hebben, aldus [appellant] , verklaard dat zij hun taak hebben volbracht.
Grief 1slaagt derhalve. Dat laat evenwel onverlet dat met het eindigen van hun taak als executeurs niet automatisch ook hun beheer over de goederen van de nalatenschap is geëindigd. Op grond van art. 4:150 lid 1 BW Pro geldt immers dat zij, nadat zij hun taak met het oog waarop hun het beheer was opgedragen hebben volbracht, hebben beëindigd, bevoegd zijn hun beheer te beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen (vgl. HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38, NJ 2013/521). Tussen partijen is niet in geschil dat de executeurs hun beheer tot op heden niet hebben beëindigd. [appellant] heeft in deze procedure evenmin een vordering ingesteld die ertoe strekt de executeurs ertoe te veroordelen dat zij hun beheer beëindigen. Het is overigens twijfelachtig of [appellant] bij een dergelijke vordering thans, gelet op de samenstelling van de nalatenschap (financiële middelen en de aandelen in de B.V.) en de omstandigheid dat het hof tevens heeft te beslissen op een vordering tot (vaststelling van de) verdeling van de nalatenschap, enig reëel belang zou hebben.
grieven 2 en 7keert [appellant] zich tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering tot veroordeling van [executeur 1] en [executeur 2] tot het doen van rekening en verantwoording en de toewijzing van de reconventionele vordering van [executeur 1] en [executeur 2] tot het geven van een verklaring voor recht dat zij met het Eindverslag en de door hen als productie 20 overgelegde “cijfermatige uitwerking uit te betalen bedragen aan erfgenamen” rekening en verantwoording hebben afgelegd voor al hun werkzaamheden en dat zij daarmee zijn gedechargeerd voor het door hen gevoerde beheer en gedeeltelijke afwikkeling (r.o. 4.1.2, 4.1.4, 4.9 en 5.12, hof).
kunnendoen, maar wel dat [executeur 1] en [executeur 2] met de door hen opgestelde verslagen en de door hen verstrekte informatie daadwerkelijk (voor de periodes waarop de informatie en de verslagen betrekking hebben) in voldoende mate rekening en verantwoording hebben afgelegd.
grieven 2 en 7falen derhalve.
onder 57genoemde onderwerpen overweegt het hof als volgt. De omvang van de schuld van [appellant] aan de nalatenschap wordt onder meer beïnvloed door de vraag over welke periode de contractuele rente van 3,5% per jaar daarover mag worden berekend. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het hof van oordeel dat deze rente mag worden berekend tot 30 oktober 2015. Het bedrag van de lening zal op grond daarvan door de executeurs opnieuw moeten worden berekend. Ten aanzien van de boeterente hebben [executeur 1] en [executeur 2] in hoger beroep te kennen gegeven dat daarop niet langer aanspraak wordt gemaakt, zodat deze post derhalve komt te vervallen. Met betrekking tot het bedrag van € 52.719,- dat [X] te veel zou hebben ontvangen, heeft het hof reeds bij de bespreking van
grief 5in het nadeel van [appellant] geoordeeld, zodat het hof hier kan volstaan met daarnaar te verwijzen. Het standpunt dat de legitieme portie van [X] te hoog is vastgesteld, verwerpt het hof omdat, zoals [executeur 1] en [executeur 2] aanvoeren, [appellant] bij de bespreking van 25 mei 2012 heeft ingestemd met de omvang en de waardering van de nalatenschap van vader, die de basis vormt van de berekening van de legitieme portie. Op die instemming kan [appellant] nu niet terugkomen, althans niet zonder behoorlijke toelichting waarom hij aan die instemming niet kan worden gehouden. Een zodanige toelichting ontbreekt. Daartoe volstaat niet dat [appellant] , zoals hij in eerste aanleg heeft aangevoerd (conclusie van antwoord in reconventie tevens inhoudende eiswijziging, onder 8), de boedelbeschrijving waarmee hij op 25 mei 2012 heeft ingestemd slechts heeft gezien als een tussentijdse beschrijving van het vermogen die nog zou (kunnen) worden aangepast, aangezien uit het verslag van 25 mei 2012 duidelijk blijkt dat de legitieme portie aan de hand van de toen vastgestelde omvang en waardering van de nalatenschap zou worden berekend. Dat er fouten zijn gemaakt in de berekening van de legitieme portie, is gesteld noch gebleken.
onder 58genoemde onderwerpen overweegt het hof als volgt. Uit wat hiervoor,
onder 41, is overwogen volgt dat voor het executeursloon inderdaad niet met € 8.854,- gerekend dient te worden, maar met € 4.400,-. Voor de kosten van liquidatie van de B.V. en de ter zake daarvan verschuldigde belastingen acht het hof het redelijk om, zoals [executeur 1] en [executeur 2] thans voorstaan, ervan uit te gaan dat de aandelen zullen worden toegedeeld aan een der erfgenamen en voor de daarbij in aanmerking te nemen waarde uit te gaan van de gegevens in de inmiddels door [executeur 1] en [executeur 2] overgelegde waardebepaling van de aandelen Assurantiekantoor […] B.V. van 16 maart 2016 door mevrouw [naam] (productie 10 bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte wijziging van eis in incidenteel appel). Met betrekking tot de afwikkelingskosten van de nalatenschap komt een bedrag van € 500,- het hof niet onredelijk voor, zodat daarvan – bij gebreke van aanwijzingen dat dit bedrag te hoog of te laag is geschat – kan worden uitgegaan.
Grief 8slaagt derhalve ten dele.
Grief 9houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de executeurs recht hebben op een vergoeding van de aan de boedel in rekening te brengen nakosten (r.o. 4.10 en 5.13, hof). Volgens [appellant] is de taak van de executeurs geëindigd en hebben zij geen recht meer hebben om kosten te maken en deze ten laste van de nalatenschap te brengen. Voorts voert [appellant] aan dat nu de rechtbank heeft beslist dat de executeurs geen rekening en verantwoording meer hoeven af te leggen, met toewijzing van dit onderdeel van de vordering in reconventie in feite een vrijbrief is verstrekt aan [executeur 1] en [executeur 2] om zonder enige controle nog kosten te maken en ten laste van de nalatenschap, en daarmee voor de helft ten laste van [appellant] , te brengen.
grief 6slechts aangevoerd dat hij het onjuist vindt dat de executeurs hun eigen proceskosten ten laste mogen brengen van de nalatenschap, terwijl in die grief en de toelichting niet te lezen valt dat dit standpunt mede betrekking heeft op de door [appellant] gevorderde proceskostenveroordeling. Maar een daartoe strekkende vordering is door [appellant] in eerste aanleg wel ingesteld (zie r.o. 3.1 onder 8 van het vonnis). Aan deze vordering is de rechtbank evenwel niet toegekomen, nu [executeur 1] en [executeur 2] in het gelijk zijn gesteld en derhalve niet in de proceskosten zijn veroordeeld. In het kader van de devolutieve werking van het beroep zal het hof, indien het komt tot een proceskostenveroordeling van [executeur 1] en [executeur 2] , dan ook alsnog hebben te oordelen over deze (neven)vordering.
grief 5in het principaal appel. Het bezwaar tegen het in rekening mogen brengen van aanvullende kosten is al aangevoerd met
grief 9in het principaal appel.
grief 6betreffende de proceskosten. Thans gaat het hof derhalve over tot de behandeling van de grieven in het incidenteel appel.
onder 6sub c weergegeven vordering er met zoveel woorden toe om mogelijk te maken dat de verdeling van de nalatenschap op korte termijn kan worden afgewikkeld. Deze vordering is naar het oordeel kennelijk gericht tegen [executeur 1] als erfgenaam. Het blijkt eveneens uit het feit dat [appellant] in eerste aanleg ook [X] in de procedure heeft betrokken en daarover te kennen gaf “dat [X] als legitimaris betrokken moet worden bij de afwikkeling van de nalatenschap van de vader” (conclusie van antwoord in reconventie tevens inhoudende eiswijziging, onder 2). Als [appellant] het kennelijk nodig vond om bij de procedure [X] als legitimaris te betrekken, moet worden aangenomen dat hetzelfde volgens [appellant] gold voor [executeur 1] als erfgenaam. Daarmee verdraagt zich niet dat [appellant] zich thans op het standpunt stelt dat [executeur 1] slechts als executeur in rechte is betrokken. [executeur 1] heeft zich in eerste aanleg kennelijk niet alleen als executeur gesteld, maar mede als erfgenaam, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor
onder 69is overwogen over het vorderen van verdeling, waaraan niet afdoet dat die vordering – kennelijk per abuis – ook is ingesteld door [executeur 2] . Ten aanzien van dit laatste heeft mr. Moree bij het pleidooi te kennen gegeven dat de vordering tot verdeling inderdaad niet toekomt aan [executeur 2] maar slechts aan [executeur 1] , zodat [executeur 2] daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Grief Ivan [executeur 1] en [executeur 2] houdt in dat de rechtbank ten onrechte de gevorderde machtiging tot ontbinding van Assurantiekantoor […] B.V. niet heeft toegewezen.
grief 4, hiervoor
onder 42), acht het hof dit bezwaar van [appellant] onvoldoende gemotiveerd, althans ongegrond. Het bedrag van de declaratie komt het hof alleszins redelijk voor.
Grief IIslaagt derhalve.
onder 51).
grief 6in het principaal hoger beroep, voor zover [appellant] daarmee betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte in de proceskosten van [executeur 1] en [executeur 2] heeft veroordeeld, moet worden verworpen.
grief 6komt [appellant] ook op tegen het oordeel van de rechtbank dat de executeurs de ten behoeve van de procedure gemaakte kosten als kosten van de nalatenschap moeten worden aangemerkt en de afwijzing van de vordering van [appellant] om te bepalen dat de (eigen) proceskosten van de executeurs voor rekening van [executeur 1] en [executeur 2] persoonlijk komen (r.o. 4.6, hof). Ter toelichting vermeldt [appellant] dat het de executeurs waren die geweigerd hebben nog met hem in overleg te gaan en in strijd met hun taak als executeurs geweigerd hebben te voldoen aan hun informatieplicht, zodat het onredelijk zou zijn als zij wel hun kosten ten laste van de nalatenschap mogen brengen. Verder is het volgens [appellant] in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat hij, doordat de ten laste van de nalatenschap komende kosten van [executeur 1] en [executeur 2] voor de helft ten laste van hem als erfgenaam komen, per saldo ongeveer driekwart van de proceskosten moet dragen. Van belang is daarbij ook, aldus [appellant] , dat het gaat om een familiezaak.