Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 1 augustus 2018
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst Rotterdam, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
De goedkeuring geldt onder de volgende voorwaarden (…)
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, een achternicht van erflaatster die als oma werd beschouwd, kreeg aanslagen schenkbelasting en erfbelasting opgelegd. De Rechtbank verklaarde het beroep tegen de schenkbelasting niet-ontvankelijk omdat geen bezwaar was gemaakt en het beroep tegen de erfbelasting ongegrond.
In hoger beroep betoogde belanghebbende dat zij door foutieve informatie van de Belastingdienst geen bezwaar tegen de schenkbelasting had gemaakt en dat de aanslag erfbelasting onterecht tegen het derdentarief was vastgesteld. Het hof oordeelde dat de Rechtbank terecht het beroep tegen de schenkbelasting niet-ontvankelijk verklaarde, maar dat het beroepschrift als bezwaarschrift had moeten worden doorgezonden aan de Inspecteur.
Het hof draagt dit alsnog op en overweegt dat de Inspecteur op het bezwaarschrift moet beslissen. De vraag of de Inspecteur op grond van een besluit van 16 september 2013 had moeten afzien van de aanslag schenkbelasting blijft onbesproken. De erfbelasting is terecht berekend naar het derdentarief, ondanks de familiaire relatie die meer op oma en kleinkind leek.
Het hof vernietigt de beschikking belastingrente en gelast de Inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Het hoger beroep is daarmee deels gegrond.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep tegen de schenkbelasting niet-ontvankelijk, bevestigt het ongegrond verklaren van het beroep tegen de erfbelasting, vernietigt de beschikking belastingrente en draagt het bezwaarschrift tegen de schenkbelasting alsnog door aan de Inspecteur.