In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het openlijk in vereniging plegen van geweld op een openbare plaats, namelijk een trein van de Nederlandse Spoorwegen. De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft het dossier en het beeldmateriaal onderzocht, maar kon niet vaststellen wat de feitelijke gang van zaken was. Het proces-verbaal en de waarnemingen van het hof boden onvoldoende handvatten om de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens het niet naleven van de inspanningsverplichting tot mediation, maar dit verweer werd verworpen.
Het hof oordeelde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was in de vervolging en dat de vervolgingsbeslissing niet in strijd was met de beginselen van een goede procesorde. Uiteindelijk vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij, omdat het bewijs onvoldoende was om de ten laste gelegde feiten te bewijzen.