Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld tot een taakstraf wegens openlijk geweld in vereniging in een trein op 13 februari 2016.
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het niet naleven van mediationverplichtingen, maar het hof verwierp dit verweer en verklaarde het OM ontvankelijk. Het hof oordeelde dat het OM in redelijkheid tot vervolging kon overgaan, ondanks mogelijke tekortkomingen in mediationinspanningen.
Het hof kon op basis van het dossier en het beeldmateriaal niet vaststellen wat de feitelijke gang van zaken was. Het proces-verbaal bood onvoldoende aanknopingspunten voor een betrouwbare reconstructie die strookte met de verklaring van de aangever. De eigen waarneming van het hof leverde geen overtuigend bewijs op dat het ten laste gelegde had plaatsgevonden.
Daarom sprak het hof de verdachte vrij van het ten laste gelegde, vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. De verdachte werd vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.