In deze strafzaak werd een wrakingsverzoek ingediend tegen raadsheer-commissaris Loyson, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam. Het verzoek was gebaseerd op irritatie die de raadsheer-commissaris voorafgaand aan en tijdens het getuigenverhoor van een getuige zou hebben getoond, wat volgens verzoeker een gebrek aan onpartijdigheid zou betekenen.
De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag behandelde het verzoek nadat het was verwezen door het hof Amsterdam. De raadsheer-commissaris beriep zich primair op niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening, maar de kamer oordeelde dat de termijn van ongeveer drie uur tussen het getuigenverhoor en het verzoek voldoende was voor beraad en overleg met de verdachte, die zelf niet aanwezig was.
De inhoudelijke beoordeling leidde tot de conclusie dat irritatie bij een rechter niet automatisch wijst op onpartijdigheid of een objectief gerechtvaardigde schijn daarvan. Er waren geen feiten of omstandigheden die een dergelijke schending aannemelijk maakten. Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen.
De beslissing werd op 23 augustus 2018 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag gegeven, waarbij tevens werd bepaald dat afschriften van de beslissing worden toegezonden aan de betrokken partijen.