ECLI:NL:GHDHA:2018:2099

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 augustus 2018
Publicatiedatum
24 augustus 2018
Zaaknummer
001038-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 SvArt. 62b Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer-commissaris wegens vermeende irritatie

In deze strafzaak werd een wrakingsverzoek ingediend tegen raadsheer-commissaris Loyson, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam. Het verzoek was gebaseerd op irritatie die de raadsheer-commissaris voorafgaand aan en tijdens het getuigenverhoor van een getuige zou hebben getoond, wat volgens verzoeker een gebrek aan onpartijdigheid zou betekenen.

De wrakingskamer van het gerechtshof Den Haag behandelde het verzoek nadat het was verwezen door het hof Amsterdam. De raadsheer-commissaris beriep zich primair op niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening, maar de kamer oordeelde dat de termijn van ongeveer drie uur tussen het getuigenverhoor en het verzoek voldoende was voor beraad en overleg met de verdachte, die zelf niet aanwezig was.

De inhoudelijke beoordeling leidde tot de conclusie dat irritatie bij een rechter niet automatisch wijst op onpartijdigheid of een objectief gerechtvaardigde schijn daarvan. Er waren geen feiten of omstandigheden die een dergelijke schending aannemelijk maakten. Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen.

De beslissing werd op 23 augustus 2018 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag gegeven, waarbij tevens werd bepaald dat afschriften van de beslissing worden toegezonden aan de betrokken partijen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheer-commissaris wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor onpartijdigheidsschending.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 001038-18
Rolnummer hoofdzaak : 23-002242-17
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[Verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
verzoeker,
bijgestaan door mr. W.J.E. Hendriks, advocaat te Amsterdam,
strekkende tot wraking van:

mr. J.W.H.G. Loyson,

raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.

Het geding

Verzoeker wordt als verdachte vervolgd onder parketnummer 13/2267860-15, welke strafzaak thans in hoger beroep wordt behandeld onder genoemd rolnummer. In die strafzaak vond op 21 juni 2018 voor de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam het verhoor plaats van [getuige] als getuige. Daarbij trad mr. J.W.H.G. Loyson op als raadsheer-commissaris.
Bij e-mailbericht van 21 juni 2018 heeft mr W.J.E. Hendriks, die bij dit getuigenverhoor als raadsman van de verdachte aanwezig was, namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheer-commissaris gedaan.
3. Bij beslissing van 3 juli 2018 heeft de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam op grond van het Wrakingsprotocol van het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof Den Haag en met toepassing van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie de wrakingszaak ter verdere behandeling verwezen naar de wrakingskamer van dit hof.
4. De raadsheer-commissaris, mr. Loyson, heeft in een schriftelijke reactie d.d. 19 juli 2018 te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Voorts heeft hij zijn standpunt over het verzoek kenbaar gemaakt en meegedeeld dat hij niet aanwezig zal zijn bij de mondelinge behandeling van het verzoek.
5. De wrakingskamer heeft het verzoek op 15 augustus 2018 in raadkamer behandeld, waar de raadsman van verzoeker is gehoord. Verzoeker is niet verschenen. De advocaat-generaal mr. W.J.V. Spek heeft op voorhand zijn conclusie toegezonden en in raadkamer zijn standpunt verder uiteengezet.

Het wrakingsverzoek

6. Zoals blijkt uit het verzoek tot wraking d.d. 21 juni 2018 en de toelichting op het wrakingsverzoek in raadkamer van 15 augustus 2018 is het verzoek – kort en zakelijk weergegeven – gebaseerd op de grond dat mr. Loyson voorafgaand aan en tijdens het getuigenverhoor liet blijken dat hij geïrriteerd was, waardoor sprake was van een gebrek in de onpartijdigheid.
7. De raadsheer-commissaris heeft zich in zijn schriftelijke reactie van 19 juli 2018 primair op het standpunt gesteld dat de verzoeker niet-ontvankelijk is in het verzoek tot wraking, omdat het verzoek niet is gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
De raadsheer-commissaris heeft zich voorts (subsidiair) op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen omdat zich geen uitdrukkelijke omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert en daarmee subjectief partijdig zou zijn, althans dat vrees dienaangaande bij de verdachte objectief gerechtvaardigd zou zijn.
8. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker ontvankelijk is in het verzoek tot wraking, nu de raadsman met de verdachte – die niet aanwezig was bij het getuigenverhoor – moest overleggen over het indienen van het verzoek.
De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek ongegrond is, nu irritatie bij de raadsheer-commissaris – zou daar al sprake van zijn geweest – niet tot de conclusie leidt dat er dus sprake is geweest van vooringenomenheid tegen de verdachte of dat een vrees hiervoor bij de verdachte objectief gerechtvaardigd is.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

9. Op grond van artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient het wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
10. Uit de schriftelijke reactie van mr. Loyson d.d. 19 juli 2018 blijkt dat het getuigenverhoor op 21 juni 2018 om 09.30 uur was aangevangen en voor 10.00 uur was afgelopen. Het wrakingsverzoek is namens verzoeker bij op 21 juni 2018 om 13.13 uur verzonden e-mailbericht ingediend. De raadsman heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat hij de tussenliggende periode heeft moeten gebruiken voor overleg met zijn cliënt over indiening van het wrakingsverzoek.
11. De wrakingskamer is van oordeel dat deze ongeveer drie uur durende periode van bezinning en beraad tussen de raadsman en de verdachte over de indiening van het wrakingsverzoek binnen de wettelijke termijn valt, zeker nu de verdachte (verzoeker) niet bij het getuigenverhoor aanwezig is geweest.
11. Gelet op het voorgaande is verzoeker ontvankelijk in het namens hem ingediende wrakingsverzoek.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

13. Op grond van artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Deze bepaling is ook van toepassing op raadsheren-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken.
13. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
13. De raadsman heeft bij de toelichting in raadkamer desgevraagd verklaard dat de wrakingsgrond en hetgeen ter onderbouwing daarvan in het wrakingsverzoek en in raadkamer feitelijk naar voren is gebracht erop neerkomt dat mr. Loyson tijdens het getuigenverhoor geïrriteerd was.
16. De wrakingskamer is van oordeel dat – zoals ook door de raadsman bij de behandeling van het wrakingsverzoek erkend – irritatie bij een rechter niet zonder meer een aanwijzing voor een gebrek in de onpartijdigheid oplevert en evenmin voor objectief gerechtvaardigde schijn daarvan. Door of namens verzoeker zijn noch in het schriftelijke wrakingsverzoek, noch bij de behandeling in raadkamer feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat van een dergelijk gebrek of een dergelijke schijn in dit geval wel sprake was.
16. Het verzoek tot wraking is dan ook ongegrond, zodat dit zal worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:
  • wijst het verzoek tot wraking af;
  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de raadsman van) verzoeker, genoemde raadsheer-commissaris en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 23 augustus 2018 door mrs. R.M. Bouritius, K. Schaffels en H.J. van Kooten, in aanwezigheid van de griffier mr. T.E.J. Bruinen.