Uitspraak
grief 2te bespreken. Deze grief houdt in dat de rechtbank de verwijten van WIPB aan [geïntimeerde] te beperkt heeft opgevat. Uit de toelichting op de grief in onder meer onderdeel 127 van de memorie van grieven volgt dat WPIB [geïntimeerde] verwijt – kort samengevat – dat hij:
Rinc will have the right to sell the machineat [a] mutually pre-agreed price”.
try to sell iton behalf of [WPIB] to an acceptable price which will be agreed by [WPIB]”.
we can offer the old IBA laminator [het showmodel, hof] for saleto customer at the price agreed with Dr. [naam 2] .
to sellthe machine, we need to (…) make it operational, so people can test the machine”.
an update about the activities”, waarna hij op een vraag van [geïntimeerde] om verduidelijking welke activiteiten bedoeld zijn, in een volgende e-mail van diezelfde datum nader verklaart:
to sell”.
Tevens heeft cliënte aan u de opdracht verstrekt om voor haar de machine te verkopen. Als tegenprestatie voor uw verkoopinspanningen zou u een percentage ontvangen van de verkoopopbrengst”.
He stated to sell [the] line on his own to a customerhe either would find or had already.”
Overigens blijkt uit een door [geïntimeerde] overgelegd sms-bericht van 6 februari 2012 van [geïntimeerde] aan [naam 2] (productie H11 bij memorie na enquête van [geïntimeerde] ) – waarvan de inhoud door WPIB niet is bestreden – wel degelijk van betrokkenheid van de agent van Rinc in het Verenigd Koninkrijk, [naam 5] :
Möglicher Verkaufspreis” wordt genoemd: “
ca. 325.000 EUR”. Op grond van deze mail, in samenhang bezien met de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en [naam 2] op dit punt, gaat het hof ervan uit dat tussen partijen al in januari 2012 duidelijkheid bestond over de prijs waarvoor het showmodel zou (mogen) worden verkocht. Hierbij sluit aan dat [geïntimeerde] in zijn e-mail van 27 februari 2012 aan [naam 4] schrijft dat deze ermee had ingestemd dat Rinc het showmodel te koop zou aanbieden “
at the price agreed with Dr. [naam 2]”.
sell on behalf of” WPIB en daarmee “
bemiddeling bij verkoop” bedoelde – in welk geval, zo begrijpt het hof, de koop dan op naam van WPIB zou plaatsvinden. Maar de woorden “
sell on behalf” kunnen er naar het oordeel van het hof evengoed op wijzen dat Rinc zou verkopen “
ten behoeve van” WPIB, hetgeen niet uitsluit dat dit zou geschieden op naam van Rinc. Indien al juist zou zijn dat [naam 2] met “sell on behalf of WPIB” bedoeld zou hebben dat Rinc niet zou mogen verkopen maar slechts kopers zou mogen aandragen, valt niet in te zien hoe [geïntimeerde] dat uit de mail had kunnen (laat staan behoren te) begrijpen. In ieder geval is de uitleg van WPIB dat slechts sprake is geweest van bemiddeling op basis van deze getuigenverklaringen niet komen vast te staan.
3.Exclusive Distribution Rights for a certain time period
for cause upon the default of either party upon its obligations therein”) en de andere partij niet alsnog aan zijn verplichtingen voldoet binnen zestig dagen nadat die partij op zijn tekortschieten is gewezen.
the a.m. right to terminate the Agreement during the first three (3) years”). WPIB stemt ermee in, aldus de laatste zin van artikel 2, dat in geval van niet-nakoming (“
non-
performance”) van de in artikel 3 vastgestelde Pro omzetbedragen, Rinc de overeenkomst mag beëindigen, behalve wanneer WPIB alsnog schriftelijk verklaart dat zij Rinc een vergoeding zal betalen van 39% van de niet-gerealiseerde overeengekomen omzet, welke vergoeding gelijkstaat aan de overheadkosten verminderd met een winstmarge.
obligations”).
prognosesvastlegden, maar dat WPIB zich op dat punt ook jegens Rinc
verbond. Uit artikel 3 volgt Pro dat WPIB de exclusieve verkooprechten voor door Rinc vervaardigde producten van Rinc verwerft voor de hele wereld, met uitzondering van Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Ierland, en dat WPIB daartegenover (“under the following conditions”) bepaalde jaarlijkse omzet toekent aan Rinc (“WPIB grants an order income to Rinc”), te weten € 850.000 gedurende het eerste jaar en € 1.500.000 voor de jaren daarna. De toekenning van een minimale jaaromzet vormde derhalve de tegenprestatie voor het exclusieve verkooprecht van WPIB en valt derhalve te vergelijken met een garantie. De door WPIB gesuggereerde betekenis dat het slechts gaat om prognoses die, indien niet gerealiseerd, Rinc bevoegd zouden maken om de overeenkomst op te zeggen maar WPIB verder niet tot iets verplichten (memorie van grieven, nr. 64) valt niet te rijmen met de gebezigde woorden – “conditions”, “grants”, en bijvoorbeeld niet “forecast”, dat wel in ander verband wordt gebruikt (in artikel 4) – maar ook niet met het feit dat, zoals overwogen, Rinc de overeenkomst ingevolge artikel 2 gedurende Pro de eerste drie jaar uitsluitend kon opzeggen als WPIB haar verplichtingen verzaakte. Verder valt in die lezing niet te begrijpen waarom voor alle jaren van de overeenkomst een bedrag aan omzet werd vastgelegd, derhalve ook voor het vierde en vijfde jaar, in welke jaren beiden partijen toch al vrij zouden zijn de overeenkomst te beëindigen (zie hiervoor, onder 36). Dat partijen, als zij beoogden een garantie in het leven te roepen, gekozen zouden hebben voor een andere term dan “grants”, zoals “guarantees” of “warrants” (memorie van grieven, nr. 68), vermag het hof niet in te zien, omdat ook de in de overeenkomst gekozen bewoordingen voldoende duidelijkheid bieden.
shall have responsibility for any obligations, liabilities, losses, damages, costs or expenses incurred by the other Party in connection with its business except as specifically provided herein” (memorie van grieven, nr. 74). Deze bepaling sluit slechts uit dat een partij op andere wijze dan uitdrukkelijk in de overeenkomst voorzien financiële verantwoordelijk draagt voor door de andere partij geleden schade of verliezen, maar dat staat er niet aan in de weg om artikel 3 van Pro de overeenkomst uit te leggen op de wijze als hiervoor gedaan.
onder 13aangehaalde sms-bericht van 6 februari 2012. Ook uit het door [geïntimeerde] overgelegde concept van 15 februari 2009 voor de OEM-overeenkomst (productie H2 bij memorie van antwoord) blijkt uit een in de marge geplaatste opmerking van [geïntimeerde] aan WPIB dat Rinc haar Engelse agent [naam 5] wilde behouden. Onder deze omstandigheden mocht van WPIB worden verwacht dat zij een nadere toelichting en onderbouwing had gegeven waarom de opdracht (in haar stellingen) niettemin aan Rinc was verleend met het oog op de persoon van [geïntimeerde] .
onder 27), was Rinc naar het oordeel van het hof ook zonder (nadere) voorafgaande instemming van WPIB bevoegd tot verkoop (en levering) van het showmodel. Van verduistering was aldus geen sprake. Valsheid in geschrift zou [geïntimeerde] volgens WPIB hebben gepleegd door verzending van zijn e‑mailberichten van 26 november 2012 en 2 april 2013, waarin hij onjuiste en/of onvolledige mededelingen deed aan WPIB over de verkoop van het showmodel. Het hof acht de stelling dat, zoals voor toepassing van art. 225 Sr Pro vereist, deze e-mailberichten bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, met het oog op de omstandigheden van deze zaak evenwel onvoldoende onderbouwd.
54.Het voorgaande brengt mee dat grief 2wordt verworpen.
grief 1komt WPIB op tegen het oordeel van de rechtbank dat WPIB nooit heeft weersproken dat zij Rinc in de OEM-overeenkomst een omzetgarantie heeft verstrekt. Volgens WPIB heeft de rechtbank dit oordeel ten onrechte slechts gebaseerd op de emailcorrespondentie tussen partijen, omdat WPIB ook op andere wijze dan in e‑mailberichten het standpunt van Rinc over de OEM-overeenkomst kan hebben bestreden. Voorts voert WPIB aan dat zij ook daadwerkelijk anders dan in de e-mailcorrespondentie de gestelde tegenvordering van Rinc heeft weersproken en wijst zij ter onderbouwing op door haar overgelegde verklaringen van [naam 2] en [naam 4] .
valid”) was en dat hij verder geen enkele bevestiging verstrekte. Ook als getuige heeft [naam 2] niets verklaard waaruit kan volgen dat WPIB de gestelde tegenvordering van Rinc heeft weersproken.
Every time Mr. [geïntimeerde] brought up this matter, I consistently rejected that claim”) maar deze verklaring is onvoldoende specifiek. [naam 4] verklaart voorts, en ook als partij-getuige, dat de tegenvordering in het gesprek van 22 februari 2012 aan de orde is geweest. Over wat toen precies is besproken, lopen de lezingen van [naam 4] en [geïntimeerde] uiteen. Gelet op het feit dat [geïntimeerde] zijn lezing kort daarna per e-mail aan [naam 4] heeft bevestigd en [naam 4] geen aanleiding heeft gezien, hoewel daartoe uitgenodigd, om te reageren als hij het anders zag, gaat het hof ervan uit dat van een ondubbelzinnige verwerping van de tegenvordering door [naam 4] geen sprake is geweest.
r.o. 41is weergegeven. Als [naam 3] de mail van [geïntimeerde] ondanks het verzoek van [naam 2] inderdaad niet onder de aandacht van [naam 4] heeft gebracht, moet worden aangenomen dat WPIB evenmin inhoudelijk op het bericht van [geïntimeerde] heeft gereageerd.
grief 1.