In deze civiele zaak over personen- en familierecht staat de hoofdverblijfplaats van twee minderjarige kinderen centraal. De moeder woont sinds 2015 met de kinderen in Suriname, terwijl de vader in Nederland verblijft. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen.
Het hof constateert dat de communicatie tussen ouders onvoldoende is en dat zij niet in staat zijn de belangen van de kinderen voorop te stellen. De fysieke afstand tussen Nederland en Suriname bemoeilijkt het overleg en het contact tussen vader en kinderen. Het hof benadrukt het belang van goede communicatie en samenwerking tussen ouders ten behoeve van de kinderen.
Partijen zijn het eens over het belang van gelijkwaardig ouderschap en hebben zich bereid verklaard om met behulp van een mediator afspraken te maken over hoofdverblijf en contact. Het hof houdt de verdere behandeling pro forma aan voor negen maanden om partijen de gelegenheid te geven dit te realiseren. De zorgregeling van de rechtbank blijft voorlopig van kracht.
De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen wordt bij de vader in Nederland vastgesteld. Verdere beslissingen over zorgregeling, kinderalimentatie en proceskosten worden aangehouden. De zaak wordt op 24 november 2018 pro forma voortgezet.