Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2018:2377

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
12 september 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
200.228.265/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 32 RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verleent vervangende toestemming voor verhuizing minderjarige naar Zweden met uitvoerbaarverklaring bij voorraad

In deze civiele zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 12 september 2018 een herstelbeschikking gegeven inzake een verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing van een minderjarige naar Zweden.

De man had in hoger beroep verzocht om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, maar deze uitvoerbaarverklaring was abusievelijk niet in het dictum opgenomen. De vrouw verzette zich tegen het herstelverzoek, stellende dat zij het beroep op alle onderdelen wilde verwerpen.

Het hof overwoog dat er geen debat was geweest over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en dat het gebruikelijk is deze toe te wijzen indien niet betwist. Het niet opnemen hiervan was een kennelijke fout. Daarom werd de beschikking aangevuld met de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, terwijl de rest van de beschikking ongewijzigd bleef.

Uitkomst: Het hof verleent vervangende toestemming voor verhuizing naar Zweden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
zaaknummer : 200.228.265/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 17-4264
zaaknummer rechtbank : C/10/527490

beschikking van de meervoudige kamer van 12 september 2018

inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J. van Dijk te Oud-Beijerland,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.C.H. Karstanje te Gouda.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

beslissing op verzoek ex artikel 32 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering

Het hof heeft in deze zaak op 18 juli 2018 een beschikking gegeven.
Bij V-formulier van 30 juli 2018 heeft de advocaat van de man het hof verzocht de op 18 juli 2018 tussen partijen gewezen beschikking op grond van het bepaalde in artikel 31 Rv Pro te herstellen, dan wel op grond van het bepaalde in artikel 32 Rv Pro aan te vullen. Daartoe is van de zijde van de man aangevoerd dat sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel, aangezien hij de indruk heeft dat het hof in de gegeven beschikking abusievelijk de door de man verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet heeft opgenomen. Uit de behandeling ter zitting was de man duidelijk dat het hof de intentie had dat de beschikking gedurende de zomervakantie 2018 zou worden uitgevoerd. Verder heeft de man aangevoerd dat in geval geen sprake is van een vergissing, de bijbehorende overweging in de beschikking ontbreekt. De vrouw heeft immers geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof heeft in dat geval verzuimd te beslissen over een onderdeel van het verzochte.
Bij V-formulier van 31 juli 2018 is namens de vrouw op dit verzoek gereageerd. Zij heeft zich verzet tegen het verzoek tot herstel of aanvulling van de beschikking. Zij voert aan dat zij heeft verzocht het beroep op alle onderdelen te verwerpen, dus ook het verzoek om de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het hof overweegt als volgt. Uit het hoger beroepschrift blijkt dat de man heeft verzocht - met uitvoerbaar verklaring bij voorraad - hem vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige te emigreren naar Zweden. Over de verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad is geen debat tussen partijen geweest. Als te doen gebruikelijk wordt in dat geval de verzochte uitvoerbaarheid bij voorraad toegewezen. Indien er wel een debat van partijen zou zijn geweest, had het hof een beslissing dienaangaande moeten nemen en daaraan een overweging gewijd. Uit het voorgaande volgt dat het niet opnemen van de uitvoerbaarheid bij voorraad in het dictum abusievelijk verzuimd is.
Het hof stelt vast dat is verzuimd te beslissen over een onderdeel van het verzochte en bepaalt dat onder ‘6. De beslissing’ de uitspraak wordt aangevuld met:
‘verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad’;
Deze aanvulling wordt gesteld op de minuut.
Voor het overige blijft de beschikking, ook wat betreft de datum van uitspraak, geheel in stand.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I. Obbink-Reijngoud, C.M. Warnaar en O.I.M. Ydema, bijgestaan door A.N. Hansler als griffier, en is op 12 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.