ECLI:NL:GHDHA:2018:2379
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- I. Obbink-Reijngoud
- A.E. Sutorius-Van Hees
- K. van Barneveld-Peters
- Rechtspraak.nl
Bewijsvermoeden samenwoning niet ontzenuwd; beëindiging partneralimentatie
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de vrouw samenwoonde met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd, hetgeen gevolgen heeft voor de partneralimentatie.
De man leverde voorshands bewijs van samenwoning, waaronder gezamenlijke aankopen, verzorging en aanwezigheid bij elkaar. De vrouw en haar nieuwe partner ontkenden dit, maar hun verklaringen ontzenuwden het vermoeden niet. Zo werden gezamenlijke uitgaven en verzorging als incidenteel of toevallig bestempeld, en ontbrak sluitend bewijs over de verdeling van de lasten.
Het hof concludeerde dat de verklaringen van de vrouw en haar partner onvoldoende waren om het bewijs van samenwoning te weerleggen. De vrouw kon niet aantonen dat zij haar eigen dagelijkse lasten droeg, noch gaf zij duidelijkheid over haar verblijfplaats na vertrek bij de man.
Op grond hiervan oordeelde het hof dat de vrouw samenwoonde met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW Pro. Dit leidt tot het einde van de verplichting van de man tot levensonderhoud vanaf het moment van samenwoning, vastgesteld op 1 januari 2015.
De bestreden beschikking werd door het hof bekrachtigd, waarmee de partneralimentatie werd beëindigd.
Uitkomst: De partneralimentatieplicht van de man eindigt per 1 januari 2015 vanwege samenwoning van de vrouw met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd.