ECLI:NL:GHDHA:2018:2580
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens verwijtbare schulden en nieuwe schuldvorming
De appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling met een totale schuldenlast van €25.659,57. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
Appellant voerde aan dat zijn financiële situatie inmiddels onder controle is en dat hij en zijn echtgenote niet meer onder bijstandsniveau leven, waardoor hij aan zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zou kunnen voldoen. Het hof beoordeelde echter dat onvoldoende aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest. Dit vanwege een schuld aan de Belastingdienst van €6.784,70 wegens ten onrechte ontvangen kinderopvang-, zorg- en huurtoeslag, waarvan appellant erkende dat hij deze toeslagen onrechtmatig had gebruikt.
Daarnaast ontstond tijdens het minnelijk traject een nieuwe schuld aan de Rabobank van €5.413,97 door gebruik van een creditcard, ondanks waarschuwingen van de schuldbemiddelaar. Appellant kon niet aannemelijk maken dat deze creditcard werd gebruikt om bestaande schulden af te lossen. Het hof zag geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen, omdat niet aannemelijk was dat de oorzaak van de schulden was weggenomen. De problematische schuldensituatie ontstond rond 2006-2007 door lage inkomsten en verblijfsvergunningproblemen. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot schuldsaneringsregeling afwijst wegens verwijtbare schulden en nieuwe schuldvorming.