ECLI:NL:GHDHA:2018:2692
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering vervangende toestemming verhuizing minderjarige naar Spanje in kort geding
De zaak betreft een hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter inzake de vordering tot vervangende toestemming voor verhuizing met een minderjarige naar Spanje. De man en vrouw zijn ex-partners met gezamenlijk gezag over de minderjarige, die haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. De rechtbank had eerder de verhuizing naar Spanje afgewezen.
Het hof overweegt dat een kort geding zich niet leent voor een zorgvuldige belangenafweging bij internationale verhuizingen van minderjarigen, mede gezien de recente bodemrechterlijke beslissing en het belang van een advies van de raad voor de kinderbescherming. Er is onduidelijkheid of partijen een overeenkomst hebben gesloten over de verhuizing. Het hof stelt dat de voorzieningenrechter terughoudend moet zijn bij het verlenen van vervangende toestemming in kort geding.
Daarnaast verklaart het hof zich onbevoegd om te oordelen over de vordering tot teruggeleiding van de minderjarige uit Spanje, aangezien dit onder de exclusieve bevoegdheid van de Spaanse rechter valt op grond van het HKOV-verdrag. De overige vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot vervangende toestemming voor verhuizing af en verklaart zich onbevoegd voor de teruggeleiding van de minderjarige uit Spanje.