Partijen zijn in 1984 in wettelijke gemeenschap van goederen getrouwd en hebben deze gemeenschap ontbonden op 11 april 2012. De vrouw heeft in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2017 aangevochten met vier grieven.
Het hof bevestigt dat partijen als peildatum voor de omvang en waardering van de gemeenschap 1 april 2011 zijn overeengekomen. De vrouw heeft geen belang bij haar grief over de waardering van de echtelijke woning aangezien deze reeds verdeeld is op basis van een overeengekomen waarde.
De vrouw stelt dat saldi op rekeningen van de moeder van de man tot de gemeenschap behoren, maar zij heeft dit onvoldoende bewezen. Ook haar stelling dat een woning in Suriname gefinancierd is met gemeenschapsgeld wordt niet onderbouwd. Ten slotte faalt haar grief over de notariskosten omdat zij niet heeft voldaan aan haar stelplicht en geen bewijs heeft geleverd van betaling.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, compenseert de proceskosten en wijst het meer of anders gevorderde af.