De verdachte werd verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 24.200 gram hennep in een woning te Rotterdam op 11 juni 2014. Na eerdere veroordelingen en vrijspraak in eerste aanleg en hoger beroep, vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Het hof oordeelde dat de machtiging tot binnentreden pas daadwerkelijk op 11 juni 2014 was verleend, nadat verbalisanten de hennepgeur hadden geroken en overleg hadden gevoerd met de hulpofficier van justitie. Ondanks onduidelijkheid over de wijze van toegang tot de achterzijde van de woning, achtte het hof het binnentreden rechtmatig en verwierp het de stelling van de verdediging dat dit onrechtmatig was.
Op basis van de waarnemingen, aangetroffen hennep, en verklaringen concludeerde het hof dat de verdachte de hennep opzettelijk aanwezig had. De verdachte woonde samen met een medeverdachte in de woning waar de hennep werd aangetroffen. De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van voorarrest, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van het feit, de hoeveelheid hennep en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.