De veroordeelde was oorspronkelijk onderworpen aan een maatregel betreffende zijn gedrag voor 12 maanden, met een voorwaardelijke omzetting in 12 maanden vervangende jeugddetentie bij niet-naleving. Na onvoldoende medewerking aan de maatregel, waaronder het niet nakomen van behandelverplichtingen en meldplicht, werd de tenuitvoerlegging van 12 maanden jeugddetentie bevolen.
De veroordeelde diende een bezwaarschrift in, stellende dat persoonlijke omstandigheden, zoals detentie en familieproblemen, hem belemmerden de maatregel naar behoren uit te voeren. Hij gaf aan inmiddels een baan te hebben en een verbeterde thuissituatie, en wenste de resterende maatregel alsnog uit te voeren. De raadsman benadrukte de initiatieven van de veroordeelde en zijn bereidheid tot naleving.
De Reclassering verklaarde dat toezicht destijds niet op gang kwam vanwege gebrek aan openheid van de veroordeelde, maar dat bij een andere houding toezicht mogelijk was. Het hof oordeelde dat de veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt en dat dit consequenties moet hebben. Hoewel de Reclassering geen Time-Out toepaste, had de veroordeelde zijn houding moeten veranderen. De door de veroordeelde geschetste verbeteringen waren onvoldoende onderbouwd om het bezwaarschrift gegrond te verklaren.
Het hof verklaarde het bezwaarschrift ongegrond, maar wijzigde de duur van de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie van 12 naar 6 maanden, rekening houdend met de initiële medewerking van de veroordeelde. De uitspraak werd gedaan op 27 september 2018 door het Gerechtshof Den Haag.