ECLI:NL:GHDHA:2018:3113
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bij beschuldiging ontuchtige handelingen minderjarige
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen 12 en 16 jaar, gepleegd in de periode van december 2012 tot januari 2015 te 's-Gravenhage. De tenlastelegging betrof zowel het seksueel binnendringen als andere ontuchtige handelingen zoals zoenen en betasten.
De rechtbank had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in. Het hof onderzocht het dossier, waarin geen aangifte was opgenomen maar wel een proces-verbaal van een informatief gesprek met het slachtoffer. Dit verslag was niet door het slachtoffer ondertekend en bevatte slechts een globaal verslag, waardoor het beperkte bewijswaarde had.
De moeder van het slachtoffer deed verklaringen over wisselende uitspraken van het slachtoffer, die mogelijk leed aan een borderline stoornis. Verdachte had belastende verklaringen afgelegd tijdens een psychose, waardoor deze verklaringen volgens het hof geen doorslaggevende bewijswaarde hadden. Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs sprak het hof verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen met minderjarige.