Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 27 februari 2018
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellant],
appellant,
nader te noemen: [appellant],
STICHTING VESTIA,gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: Vestia,
advocaat: mr. M.A. van Kleef te Den Haag.
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(i) Vestia heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat alle betalingen afkomstig waren van hetzelfde bankrekeningnummer ten name van Café/Grillroom [X], zonder dat daarin een verwijzing naar [appellant] is terug te vinden. Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat de betalingen uit het vermogen van [appellant] kwamen.
(ii) Mochten deze betalingen wel uit het vermogen van [appellant] zijn gekomen, dan nog zijn deze betalingen niet onverschuldigd gedaan, nu [appellant] gebruik maakte van het pand, zodat deze betalingen moeten worden aangemerkt als een gebruiksvergoeding.
(iii) Het is gebruikelijk dat na afloop van de huurovereenkomst een gebruiksvergoeding wordt gehanteerd ter hoogte van de huurprijs. Artikel 7:225 BW Pro biedt hiervoor een wettelijke grondslag. De enkele omstandigheid dat garanties ontbreken maakt dit niet onredelijk.
De grieven
Beoordeling van de grieven
Beslissing
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Vestia tot op heden begroot op € 1957,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.