ECLI:NL:GHDHA:2018:3137

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2018
Publicatiedatum
16 november 2018
Zaaknummer
22-000968-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis SrArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling schuldheling navigatiesysteem met voorwaardelijke taakstraf en geldboete

De verdachte kocht in de avond op straat een navigatiesysteem voor €80 van een persoon die hij alleen bij voornaam en wijk kende. De verdachte wist dat vergelijkbare tweedehands navigatiesystemen op internet ongeveer €250 kosten. De verkoper gaf aan het apparaat van de sloop te hebben, maar gaf geen verdere herkomstinformatie.

Het hof oordeelde dat de verdachte, mede gelet op zijn werk in de autobranche en de algemene bekendheid dat navigatiesystemen vaak gestolen worden, redelijkerwijs moest vermoeden dat het navigatiesysteem gestolen was. Het verweer dat het apparaat niet gestolen kon zijn vanwege de kosten van het kraken van de code werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.

De verdachte werd veroordeeld voor schuldheling en kreeg een geldboete van €400 en een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur opgelegd. De vordering van de Politie Eenheid Rotterdam tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet in het strafproces behandeld kon worden.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht, waarbij het bewezen verklaarde werd vastgesteld en de verdachte strafbaar werd verklaard. De straf is mede gebaseerd op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €400 en een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur wegens schuldheling van een navigatiesysteem.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000968-18
Parketnummer: 10-247645-17
Datum uitspraak: 31 oktober 2018
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1992,
[BRP-adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 17 oktober 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 06 december 2017 tot en met 07 december 2017 te Rotterdam, althans in Nederland een goed te weten een navigatiesysteem heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Gevoerd verweer
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld - kort en zakelijk weergegeven – dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat hij ten tijde van het verkrijgen of voorhanden hebben van het navigatiesysteem niet wist dan wel hoefde te vermoeden dat het een gestolen navigatiesysteem betrof.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij het navigatiesysteem in de avond, op straat, heeft gekocht. Voor het navigatiesysteem heeft de verdachte € 80,- betaald.
De verdachte heeft het navigatiesysteem gekocht van een Marokkaanse jongen genaamd [persoon], die hij kent van straat en waarvan hij verder niet meer weet dan dat hij in de [straat] woont. De verdachte heeft geen nadere informatie over de herkomst van het navigatiesysteem, anders dan dat [persoon] heeft gezegd dat hij deze van de sloop heeft gehaald.
Uit het dossier is gebleken dat vergelijkbare tweedehands navigatiesystemen voor ongeveer € 250,- worden aangeboden. De verdachte heeft ook zelf verklaard dat deze navigatiesystemen “op internet tweedehands” ongeveer € 250,- kosten. Daarbij merkt het hof op dat de verdachte werkzaam is in de autobranche en daarom aannemelijk is dat hij kennis draagt van dergelijke prijzen. Naar het oordeel van het hof is het niet aannemelijk dat enkel de kras op het scherm van het navigatiesysteem het aanzienlijke prijsverschil kan verklaren. Dat moet gelet op het voorgaande ook voor de verdachte duidelijk zijn geweest.
Ten aanzien van de stelling van de verdachte dat het kraken van de code van het navigatiesysteem € 75,- kost en dat het navigatiesysteem daardoor niet gestolen kon zijn, omdat er dan door de verkoper geen winst gemaakt zou worden, oordeelt het hof dat deze stelling voor wat betreft de prijs van het uitlezen/decoderen niet is onderbouwd, nog daargelaten dat niet vaststaat dat het nummer dat de verdachte op het navigatiesysteem heeft gezien de toegangscode/pincode betrof. Het hof acht dan ook niet aannemelijk dat de verdachte in een sticker met daarop een code aanleiding heeft gezien af te zien van nader onderzoek naar de herkomst van het navigatiesysteem.
De bovengenoemde feiten en omstandigheden leveren – in onderling verband en samenhang bezien en mede tegen de achtergrond van het feit van algemene bekendheid dat navigatiesystemen (ook in Rotterdam) veelvuldig voorwerp van diefstal en heling zijn - naar het oordeel van het hof de situatie op dat de verdachte ten tijde van het verwerven van het navigatiesysteem redelijkerwijs moest vermoeden dat deze gestolen was.
Het verweer wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode van 06 december 2017 tot en met 07 december 2017 te Rotterdam,
althans in Nederlandeen goed te weten een navigatiesysteem heeft verworven
, voorhanden gehad, en/of overgedragen,terwijl hij ten tijde van de verwerving
of het voorhanden krijgenvan dit goed
wist, althansredelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:

schuldheling.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een navigatiesysteem verworven terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit gestolen was. Aldus heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling, welk misdrijf het plegen van diefstallen en inbraken lucratief maakt en een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand houdt. Het hof neemt dit de verdachte extra kwalijk omdat hij werkzaam is in de autobranche. Daarom zal het hof aan de verdachte, naast een geldboete, ook een voorwaardelijke taakstraf – als stok achter de deur – opleggen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2018, waaruit blijkt dat de verdachte al eens – zij het langer geleden - onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte in combinatie met een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.
Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Vordering tot schadevergoeding van Politie Eenheid Rotterdam
In het onderhavige strafproces heeft Politie Eenheid Rotterdam zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 150,-.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd dat de vordering niet aan de orde is, omdat de vordering niet is behandeld ter terechtzitting in eerste aanleg. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de schade is veroorzaakt door de diefstal, hetgeen aan de verdachte niet ten laste is gelegd en hij daardoor niet aansprakelijk is voor de geleden schade.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij ter zake van het bewezen verklaarde een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam

Verklaart de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,
mr. I.P.A. van Engelen en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. S. Johannes.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 oktober 2018.
mr. S. Johannes is buiten staat dit arrest te ondertekenen.