ECLI:NL:GHDHA:2018:3157
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Rotterdam. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Tevens was onvoldoende aannemelijk dat zij de verplichtingen uit de regeling naar behoren zou nakomen.
Het hof heeft deze beoordeling bevestigd. De schuld aan het CJIB, bestaande uit vijftien boetes voor verkeersovertredingen op kentekens op naam van appellante, kon niet als te goeder trouw ontstaan worden beschouwd. De stelling dat haar ex-partner verantwoordelijk was, doet haar eigen verantwoordelijkheid niet af. Ook schulden aan de Belastingdienst en diverse schulden die duiden op overbesteding, waaronder telecom- en autoverhuurschulden, werden niet als te goeder trouw aangemerkt.
Daarnaast is vastgesteld dat appellante kampt met psychosociale problematiek, waaronder paniekaanvallen, waarvoor zij nog in behandeling moet gaan. Dit brengt het risico met zich mee dat zij de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet kan nakomen. De hardheidsclausule werd afgewezen omdat geen overtuigende verklaring van een hulpverlener was overgelegd waaruit blijkt dat de problematiek beheersbaar is.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Het hof benadrukt dat een toekomstig verzoek met een duidelijke verklaring van een hulpverlener meer kans van slagen kan hebben.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek tot schuldsaneringsregeling blijft afgewezen wegens onvoldoende goede trouw en onvoldoende waarborging van nakoming.