ECLI:NL:GHDHA:2018:3158
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw
Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van bijna €48.000. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Ook werd getwijfeld aan haar bereidheid om de verplichtingen uit de regeling na te komen.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden en dat zij wel degelijk aan haar verplichtingen zou voldoen. Het hof beoordeelde de goede trouw aan de hand van de aard en omvang van de schulden, het tijdstip van ontstaan, en het gedrag van appellante.
Het hof concludeerde dat appellante een forse belastingschuld had laten ontstaan door onrechtmatige kinderopvangtoeslag te ontvangen en deze gelden niet voor het beoogde doel te gebruiken. Ook had zij kinderopvangorganisaties onbetaald gelaten, wat een ernstig verwijt oplevert. De hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat niet was gebleken dat zij de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle had gekregen.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af wegens gebrek aan goede trouw.