ECLI:NL:GHDHA:2018:3416

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2018
Publicatiedatum
13 december 2018
Zaaknummer
200.013.263/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herroeping
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 382 RvArt. 383 RvArt. 386 RvArt. 4:203 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herroeping eindarrest wegens ontbreken gronden en niet-ontvankelijkheid appellant

In deze zaak vordert appellant herroeping van het eindarrest van het hof van 22 juli 2014 en de daaraan voorafgaande tussenarresten. Appellant stelt dat er sprake is van bedrog en dat belangrijke stukken, waaronder een aanvullend schriftonderzoek en een erkenning van de handtekening van de erflater, buiten de procedure zijn gehouden. Hij betoogt dat deze stukken van beslissende aard zijn en het oordeel van het hof zouden beïnvloeden.

De geïntimeerden, bestaande uit de erfgenamen en de vereffenaar van de nalatenschap, voeren verweer. Zij stellen onder meer dat de vereffenaar een privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft en appellant daarom niet-ontvankelijk is ten aanzien van de erfgenamen. Daarnaast betwisten zij de stellingen over het buiten de procedure houden van stukken en wijzen op eerdere beslissingen waarin deze kwesties aan de orde zijn geweest.

Het hof oordeelt dat de gronden voor herroeping, zoals bedoeld in artikel 382 Rv Pro, niet zijn vervuld. Het rapport dat appellant als nieuw bewijs aandraagt, had reeds via een gewoon rechtsmiddel kunnen worden ingebracht. Ook de erkenning van de handtekening was reeds onderdeel van de gedingstukken. Verder verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk ten aanzien van de erfgenamen, omdat de vereffenaar hen privatief vertegenwoordigt.

Gelet op deze overwegingen wijst het hof de herroepingsvordering af en veroordeelt appellant in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 juni 2018.

Uitkomst: De vordering tot herroeping wordt afgewezen en appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de erfgenamen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.013.263/03
Zaaknummer rechtbank : 48148 / HA ZA 05/294
Arrest van 26 juni 2018
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[De schuldeiser],
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
nader te noemen: [Schuldeiser] ,
advocaat: mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen,
tegen:
1a
[erfgenaam een] ,
wonende te [woonplaats] ,
1b
[erfgenaam twee] ,
wonende te [woonplaats] ,
1c
[erfgenaam drie] ,
wonende te [woonplaats] ,
1d
[erfgenaam vier] ,
wonende te [woonplaats] ,
1e
[erfgenaam vijf]
wonende te [woonplaats] ,
1f
[erfgenaam zes] ,
wonende te Oostende, België,
1g
[erfgenaam zeven] ,
wonende te [woonplaats] ,
1h
[erfgenaam acht] ,
wonende te [woonplaats] ,
erfgenamen van [volgt naam vader] (erflater),

2.[naam] , vereffenaar van de nalatenschap van wijlen [volgt naam vader] ,

kantoorhoudende te [woonplaats] ,

3.[naam BV] B.V.,

statutair gevestigd te [volgens gegevens] ,
geïntimeerden,
hierna te noemen: [naam vader] c.s. of afzonderlijk de erven, de vereffenaar en [naam BV] ,
advocaat: mrs. Harte en Berbée-van Koningsbruggen te Terneuzen.
Het geding
Voor de loop van het geding neemt het hof zijn overwegingen over als vervat in zijn arrest van 25 juli 2017 in het incident ex art. 386 Rv Pro.
[Schuldeiser] heeft in de hoofdzaak herroeping gevorderd van het eindarrest van het hof van 22 juli 2014 en van de daaraan voorafgaande tussenarresten (hierna gezamenlijk: het bestreden arrest), met veroordeling van [naam vader] c.s. in de kosten van het geding, die van het incident daaronder begrepen.
[naam vader] c.s. hebben bij memorie van antwoord geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [Schuldeiser] althans tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [Schuldeiser] in de kosten van de procedure in de hoofdzaak en in het incident.
Elk van partijen heeft vervolgens een akte overlegging producties genomen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht in het pleidooi van 22 maart 2018.
Vervolgens heeft elke partij arrest gevraagd.
Ontvankelijkheid
[naam vader] c.s. hebben in randnummer 1 tot en met 6 van hun memorie van antwoord gesteld dat [Schuldeiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard met betrekking tot de erfgenamen aangezien de erfgenamen in deze vertegenwoordigd worden door de vereffenaar. Op grond van het tweede lid van artikel 4:203 BW Pro treedt de vereffenaar in en buiten rechte op voor de erfgenamen. Er is sprake van een privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid.
In de pleitnota van 22 maart 2018 is [Schuldeiser] ingegaan op de ontvankelijkheidsvraag. Het hof verwijst naar randnummer 2 en 3.
Uit de gewisselde stukken volgt dat mr. [volgens gegevens] bij beschikking van de rechtbank Middelburg tot vereffenaar is benoemd in de nalatenschap van wijlen [naam vader] . Op grond van art 4:203 BW Pro vervangt de vereffenaar de erfgenamen. De vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen in en buiten rechte bij de vervulling van zijn taak. Er is sprake van een privatieve bevoegdheid van de vereffenaar. In het onderhavige geval is de vereffenaar geen erfgenaam. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient appellant met betrekking tot de geïntimeerden 1 a tot en met 1 h niet ontvankelijk te worden verklaard.
Juridisch kader
1. Ingevolge art. 382 Rv Pro kan een rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan worden herroepen indien zij berust op bedrog, op stukken waarvan de valsheid na de beslissing is erkend of vastgesteld, of indien na de datum van de beslissing stukken van beslissende aard naar voren zijn gekomen die door toedoen van de andere partij waren achtergehouden. Ingevolge art. 383 Rv Pro moet het rechtsmiddel worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan.
Beoordeling van het geschil
2. [Schuldeiser] stelt, zakelijk weergegeven, het volgende. [Schuldeiser] heeft kennis gekregen van omstandigheden die wijzen op bedrog door de erflater in de procedure die heeft geleid tot het bestreden arrest. Kern van de zaak is de ontkenning van de erflater van de plaatsing van diens handtekening onder de overeenkomst met [Schuldeiser] van 22 april 2004.
3. [Schuldeiser] verwijt de erven (en [naam BV] ) het rapport van een aanvullend schriftonderzoek uitgevoerd door de heer [naam] buiten de gedingstukken gehouden te hebben, zodat het niet besproken is op de mondelinge behandeling op 23 april 2011 en daar geen rekening mee is gehouden in het tussenarrest van het hof van 19 juni 2012. [Schuldeiser] kwalificeert dit rapport, naar het hof begrijpt, als van beslissende aard. Het hof heeft uiteindelijk een deskundige benoemd in de persoon van [volgens gegevens] en heeft [naam vader] c.s. de gelegenheid geboden om referentiemateriaal aan te leveren ter toetsing en beoordeling door de heer [volgens gegevens] , maar aan [Schuldeiser] heeft het die mogelijkheid onthouden. [Schuldeiser] heeft inmiddels aanvullend schriftonderzoek laten doen door de heer [volgens gegevens] en ook door de heer [naam] , naar het hof begrijpt mede op basis van door [Schuldeiser] geboden referentiemateriaal. Uit beide rapporten van deze deskundigen, van 31 juli 2016 resp. van 8 juli 2016 blijkt nu alsnog, dat de litigieuze handtekening met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is geplaatst door de erflater.
4. [Schuldeiser] wijst voorts op een verzoekschrift van de erflater uit juli 2006, waarvan hij in september 2016 een kopie in bezit kreeg. In dat verzoekschrift leest [Schuldeiser] een erkenning door de erflater van zijn handtekening op de overeenkomst van 22 april 2004. Hij stelt dat [naam vader] c.s. dit verzoekschrift nadrukkelijk en in strijd met art. 21 Rv Pro gelezen in verband met art. 382 Rv Pro, hebben achtergehouden. Als het hof kennis had gehad van deze erkenning dan zou het, zo stelt [Schuldeiser] , anders hebben geoordeeld dan het in zijn eindarrest heeft gedaan.
5. [naam vader] c.s. hebben verweer gevoerd. Ten eerste hebben zij gesteld dat de erven ten onrechte in de procedure zijn betrokken, nu geïntimeerde sub 2 als vereffenaar een privatieve volmacht heeft. Zij vorderen daarom [Schuldeiser] niet-ontvankelijk te verklaren jegens de erven.
6. Materieel vorderen [naam vader] c.s. afwijzing van de vorderingen. Zij stellen, kort en zakelijk weergegeven, dat het hof terecht het rapport d.d. 19 april 2012 van de heer [naam] , overgelegd op 20 april 2012, onbesproken heeft gelaten bij de mondelinge behandeling van 23 april 2012 wegens strijd met een goede procesorde, omdat [naam vader] c.s. op dat moment niet meer in staat waren om er inhoudelijk op in te gaan. Bovendien heeft [Schuldeiser] het rapport bij akte van 13 november 2012 alsnog in het geding gebracht, en heeft het hof het rapport meegewogen o.a. bij de totstandkoming van het eindarrest van 22 juli 2014.
7. Ten aanzien van referentiemateriaal ten behoeve van het deskundigenonderzoek van Ing. [volgens gegevens] stellen [naam vader] c.s. dat het hof in zijn eindarrest daarover heeft beslist, dat het cassatieberoep van [Schuldeiser] is afgewezen, en dat de uitkomst van het schriftuuronderzoek daarmee vaststaat.
8. Tenslotte wijzen [naam vader] c.s. erop dat [Schuldeiser] het beroepschrift van juli 2006 al op 24 april 2012 aan het hof had overgelegd en dat daarin geen erkenning valt te lezen.
9. Het hof passeert de stelling dat [naam vader] c.s. een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat het rapport van de heer [naam] buiten de procedure is gehouden bij de mondelinge behandeling door het hof op 23 april 2012. Wat er ook zij van die stelling, wanneer het hof een ingediende productie zoals het bewuste rapport ten onrechte niet of niet tijdig heeft meegewogen, terwijl de inhoud ervan van beslissende aard is, dan leidt dat mogelijk tot een motiveringsgebrek in het betreffende arrest waartegen een gewoon rechtsmiddel openstond. Nu dat gewone rechtsmiddel niet is aangewend kan [Schuldeiser] niet worden ontvangen in zijn herroepingsvordering.
10. Ook passeert het hof de stelling dat [Schuldeiser] de mogelijkheid is ontnomen om authentiek referentiemateriaal aan te leveren voor het onderzoek van de door het hof benoemde deskundige. In het eindarrest overweegt het hof dat [Schuldeiser] zijnerzijds authentiek referentiemateriaal had aangeleverd en oordeelt daarbij over de vraag of de benoemde deskundige dit materiaal bij zijn onderzoek heeft of had moeten betrekken. Tegen dat oordeel stond op de voet als hiervoor in r.o. 9 overwogen eveneens een gewoon rechtsmiddel open.
11. Het hof passeert tenslotte de stelling dat het bestreden eindarrest voor herroeping vatbaar is in verband met de erkenning door de erflater van zijn handtekening op de overeenkomst van 22 april 2004, in het beroepschrift van juli 2006. Het beroepschrift maakte immers al deel uit van de gedingstukken die tot het eindarrest van het hof hebben geleid, te weten zijn eigen akte van 24 april 2012. Daaruit volgt, formeel bezien, dat niet is voldaan aan het vereiste van art. 383 lid 1 Rv Pro, te weten dat het herroepingsverzoek binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. Zijdens [Schuldeiser] is ter zitting aangegeven dat oprecht noch hij noch zijn raadsman zich wist te herinneren dat het document al eens onderdeel had uitgemaakt van een bundel van stukken als bijlage bij voormelde akte. Wat daar ook van zij, dat laat onverlet dat bekendheid met de door of namens [Schuldeiser] zelf in het geding gebrachte documenten hem – en zijn raadsman – moet worden toegerekend.
12. Het hof zal de vordering [Schuldeiser] derhalve afwijzen.
Proceskosten
14. Gezien het feit dat [Schuldeiser] in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof hem in de kosten van de procedure veroordelen.
15. In het arrest in het incident ex art. 386 Rv Pro van 25 juli 2017, waarbij de vordering van [Schuldeiser] is afgewezen, is de beslissing omtrent de kosten van het incident aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. Het hof zal, gelet op het voorgaande, [Schuldeiser] ook in de kosten van het incident veroordelen.
Beslissing
Het hof:
verklaart [Schuldeiser] niet-ontvankelijk jegens geïntimeerden 1 a tot en met 1 h ;
wijst de vordering van [Schuldeiser] af;
veroordeelt [Schuldeiser] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak begroot op € 29.955 en aldus gespecificeerd:
- € 5.200 griffierecht, en
in het incident:
- € 5.501 salaris advocaat,
en in de hoofdzaak:
- € 19.254 salaris advocaat;
en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. O.I.M. Ydema, A.N. Labohm en K. van Barneveld-Peters en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2018 in aanwezigheid van de griffier.