Uitspraak
[erfgenaam een] ,
[erfgenaam twee] ,
[erfgenaam drie] ,
[erfgenaam vier] ,
[erfgenaam vijf]
[erfgenaam zes] ,
[erfgenaam zeven] ,
[erfgenaam acht] ,
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak vordert appellant herroeping van het eindarrest van het hof van 22 juli 2014 en de daaraan voorafgaande tussenarresten. Appellant stelt dat er sprake is van bedrog en dat belangrijke stukken, waaronder een aanvullend schriftonderzoek en een erkenning van de handtekening van de erflater, buiten de procedure zijn gehouden. Hij betoogt dat deze stukken van beslissende aard zijn en het oordeel van het hof zouden beïnvloeden.
De geïntimeerden, bestaande uit de erfgenamen en de vereffenaar van de nalatenschap, voeren verweer. Zij stellen onder meer dat de vereffenaar een privatieve vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft en appellant daarom niet-ontvankelijk is ten aanzien van de erfgenamen. Daarnaast betwisten zij de stellingen over het buiten de procedure houden van stukken en wijzen op eerdere beslissingen waarin deze kwesties aan de orde zijn geweest.
Het hof oordeelt dat de gronden voor herroeping, zoals bedoeld in artikel 382 Rv Pro, niet zijn vervuld. Het rapport dat appellant als nieuw bewijs aandraagt, had reeds via een gewoon rechtsmiddel kunnen worden ingebracht. Ook de erkenning van de handtekening was reeds onderdeel van de gedingstukken. Verder verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk ten aanzien van de erfgenamen, omdat de vereffenaar hen privatief vertegenwoordigt.
Gelet op deze overwegingen wijst het hof de herroepingsvordering af en veroordeelt appellant in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 juni 2018.
Uitkomst: De vordering tot herroeping wordt afgewezen en appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de erfgenamen.