Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 27 november 2018
[de man] ,
[de vrouw] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
2. Partijen verplichten zich naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. (…)
5. Indien het inkomen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen.
3 Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Zijn bedoelde zaken gemeenschappelijk eigendom, dan wordt ook de aflossing tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend. Voorts worden in dat geval tot die kosten gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Pro Wetboek, de zakelijke belasting en de premie voor de opstalverzekering.
4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij. (…)
Grief Ihoudt in dat de rechtbank in r.o. 4.2-4.6 ten onrechte niet het standpunt van [de man] heeft gevolgd dat partijen niet de bedoeling hadden om de polis bij Zwitserleven in te brengen in de gemeenschap maar juist om deze uit te sluiten. Door partijen is aangevoerd dat de polis noodzakelijk was om de hypotheek van het nieuwe huis rond te krijgen. Volgens [de man] is dit de achterliggende gedachte geweest om de polis in de bepaling over aanbrengsten te benoemen en was het niet de bedoeling dat de polis gemeenschappelijk zou worden. Ook heeft de rechtbank ten onrechte niet mee overwogen, aldus [de man] , dat er wel degelijk een restitutierecht in de samenlevingsovereenkomst is opgenomen, namelijk in artikel 6 lid Pro 4. Volgens [de man] is dit artikel van toepassing nu partijen beiden hebben verklaard dat de hypotheek zonder deze polis niet kon worden verkregen, waarmee vaststaat dat [de man] meer heeft gefinancierd dan zijn aandeel van de koopsom. Verder betoogt [de man] dat er sprake is van een kennelijke verschrijving in de samenlevingsovereenkomst. In plaats van ‘ingebracht’ had er ‘aangebracht’ dienen te staan, hetgeen ook logisch zou zijn gelet onder de plaatsing onder het kopje “AANBRENGSTEN” en de algemene bedoeling van een staat van aanbrengsten is om daarmee aan te geven welke goederen privé blijven.
Grief Ifaalt derhalve.
Grief IIhoudt in dat de rechtbank in r.o 4.11 ten onrechte heeft overwogen en op grond daarvan beslist, dat de waarde van de goederen die appellant meeheeft genomen de waarde van de achtergebleven spullen ruimschoots overtreft. Ten onrechte heeft de rechtbank niet bij de overwegingen betrokken, aldus [de man] , dat een groot deel van de inboedel die appellant uit de woning had meegenomen, geen spullen waren die behoorden tot de gemeenschappelijke inboedel maar spullen die specifiek toebehoorden aan het bedrijf van appellant en daartoe zakelijke spullen waren. Het betreft weliswaar duurdere zaken zoals diverse computers, maar deze behoorden toe aan het bedrijf van appellant.
Grief IIIhoudt in dat de rechtbank ten onrechte artikel 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst heeft opgevat zoals omschreven in r.o 4.10. Volgens [de man] ziet dit artikel op goederen die zijn aangeschaft ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding en niet ziet op goederen die zijn aangeschaft vóór de gemeenschappelijke huishouding dan wel samenleving.
Grief IVhoudt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen en op grond daarvan beslist dat [de vrouw] kosten heeft gemaakt voor het verkoopklaar maken van de woning, zoals weergegeven in r.o. 4.13. [de man] betwist dat [de vrouw] kosten heeft moeten maken om de woning verkoop klaar te maken, nu hij de woning netjes heeft achtergelaten. Volgens [de man] blijkt mede uit de door hem overgelegde foto’s dat de staat van de woning goed was en dat er geen nadere kosten noodzakelijk waren.