Uitspraak
Arrest van 4 december 2018
1. [appellant 1] ,
2. [appellant 2],
de Gemeente Dordrecht,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
tweede principale grief, is de wijze waarop de aangeboden nieuwe canon voor de erfpacht tot stand is gekomen. De canon is bepaald aan de hand van de geschatte actuele grondwaarde (marktwaarde). Op zich is [appellant 1] c.s. het daarmee eens (hij acht dat in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999, NJ 1999,476), maar hij verwijt de Gemeente dat zij die waarde niet op zorgvuldige wijze heeft doen schatten. Hij heeft daarvoor meerdere argumenten.
eerste principale griefheeft de rechtbank miskend dat de Gemeente met een onafhankelijke derde nooit de thans bedongen voorwaarde had kunnen overeenkomen, inhoudende dat zij bij het einde van de erfpacht geen vergoeding behoeft te betalen voor de bestaande opstallen. Met het opnemen van die voorwaarde maakt de Gemeente misbruik van de afhankelijke positie van [appellant 1] c.s., zo stelt [appellant 1] c.s.
het incidenteel appelkomt de Gemeente op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant 1] recht heeft op vergoeding van de zich op – kort gezegd – zijn perceel bevindende woning met aanhorigheden.
derde principale grief van[appellant 1] c.s., die betrekking heeft op de compensatie van de proceskosten faalt dus, terwijl de Gemeente in het petitum van de memorie van antwoord in het principale appel terecht een kostenveroordeling ten laste van [appellant 1] c.s. heeft gevorderd.