ECLI:NL:GHDHA:2018:369
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- I. Obbink-Reijngoud
- A.E. Sutorius-Van Hees
- K. van Barneveld-Peters
- Rechtspraak.nl
Beëindiging partneralimentatie wegens samenwonen volgens artikel 1:160 BW
Partijen waren gehuwd van 2003 tot 2014 en de man was verplicht partneralimentatie te betalen aan de vrouw. De rechtbank verklaarde de alimentatieplicht per 1 januari 2015 beëindigd wegens samenwonen van de vrouw met een ander, de heer [vriend van de vrouw]. De vrouw betwistte dit en stelde dat zij slechts goede vrienden zijn en geen gemeenschappelijke huishouding voeren.
Het hof overweegt dat voor beëindiging van partneralimentatie op grond van artikel 1:160 BW Pro vereist is dat sprake is van een duurzame affectieve relatie met wederzijdse verzorging, samenwoning en een gemeenschappelijke huishouding. De man droeg bewijs aan, waaronder socialmediaberichten en waarnemingen, waaruit blijkt dat de vrouw en de heer [vriend van de vrouw] als een stel leefden en samen zorgden voor een hond en een stiefkleinkind.
Het hof acht het bewijsvermoeden van samenwonen en verzorging door de man voorshands aannemelijk gemaakt. De vrouw mag echter tegenbewijs leveren, onder meer door getuigenverklaringen, om aan te tonen dat zij niet samenwoont als waren zij gehuwd. De zaak wordt aangehouden voor het horen van getuigen en verdere beslissing.
Uitkomst: Het hof bevestigt het vermoeden van samenwonen en beëindiging van partneralimentatie, maar staat de vrouw toe tegenbewijs te leveren via getuigenverhoor.