De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid henneptoppen in een woning te Rotterdam. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld. De verdediging stelde dat de doorzoeking onrechtmatig was omdat de politie meer deed dan zoekend rondkijken, wat volgens hen tot bewijsuitsluiting moest leiden. Het hof verwierp dit verweer omdat de politie handelde binnen haar bevoegdheid en de henneptoppen zichtbaar lagen.
Het hof stelde vast dat de verdachte op 29 april 2018 opzettelijk ongeveer 650 gram henneptoppen aanwezig had, een hoeveelheid die aanzienlijk hoger is dan de in de wet genoemde grens van 30 gram. De verdachte werd vrijgesproken voor wat meer of anders was ten laste gelegd. De hennep betrof natte hennep, waarschijnlijk net geoogst, wat een lagere straf rechtvaardigde.
De straf werd bepaald op een taakstraf van 16 uur, subsidiair 8 dagen hechtenis, rekening houdend met het feit dat de verdachte niet eerder was veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het hof benadrukte de schadelijkheid van drugs voor de volksgezondheid en de neiging tot criminaliteit, maar matigde de straf vanwege de aard van de hennep en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.