ECLI:NL:GHDHA:2018:3766
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- A.N. Labohm
- A.H.N. Stollenwerck
- P.B. Kamminga
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afwijzing vordering omgangsregeling in kort geding
Partijen hadden een relatie waaruit een minderjarige is geboren. Na beëindiging van hun relatie werd een omgangsregeling afgesproken, die de vrouw stopzette. De man vorderde in kort geding medewerking aan een begeleide omgangsregeling, waarbij de voorzieningenrechter hem deels gelijk gaf. De vrouw ging in hoger beroep en stelde dat de voorzieningenrechter buiten zijn bevoegdheid trad, het drangtraject niet vrijwillig was, en dat het advies van de raad voor de kinderbescherming niet werd gevolgd.
Het hof overwoog dat de vrouw het gezag over het kind heeft en de man recht heeft op omgang. Echter, gezien het advies van de gecertificeerde instelling en de raad dat eerst een onderzoek moet plaatsvinden, is het niet passend om in kort geding een omgangsregeling op te leggen die mogelijk niet in het belang van het kind is. De complexiteit van de zaak en het ontbreken van een onderbouwd advies maken een voorlopige beslissing in kort geding ongeschikt.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis en wees de vordering van de man af. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. Het arrest werd uitgesproken op 18 december 2018 door drie raadsheren.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de vordering tot medewerking aan omgangsregeling af.