Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 18 december 2018
[de vrouw] ,
[de man] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
primair
- voor recht te verklaren dat de overdracht van het Surinaams onroerend goed op 17 april 2007 aan de stichting [volgt naam] ” nietig is wegens het ontbreken van een volmacht van de vrouw en de daaruit voortvloeiende beschikkingsonbevoegdheid van de man, dan wel omdat een geldige titel voor de overdracht daarvan ontbreekt;
- de verdeling van deze onroerende goederen vast te stellen, waarbij aan de man wordt toebedeeld het Surinaams onroerend goed, en wordt vastgesteld dat aan de vrouw wegens overbedeling een bedrag ter hoogte van 100% van de huidige waarde van het Surinaams onroerend goed toekomt, overeenkomstig het nog over te leggen taxatierapport van [naam taxateur] , althans een bedrag van € 244.116,-, althans een zodanig bedrag wegens overbedeling als het hof in goed justitie zal vermenen te behoren,
- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw ter zake overbedeling tegen behoorlijk bewijs van kwijting van het bedrag ter hoogte van 100% van de huidige waarde van het Surinaams onroerend goed conform de taxatie van [naam taxateur] , althans een bedrag van € 244.116,-, althans een zodanig bedrag wegens overbedeling als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, onder bepaling dat indien dit bedrag niet binnen 14 dagen na betekening van het arrest is voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente is verschuldigd;
- de man te veroordelen tot betaling van de door de vrouw geleden schade van
- te verklaren voor recht dat de man gehouden is de schade te betalen die de vrouw heeft geleden en nog lijdt door zijn onrechtmatig handelen ter zake de overdracht van het Surinaams onroerend goed, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
subsidiair
- de man te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding jegens de vrouw ter zake de door hem jegens de vrouw gepleegde onrechtmatige daad door de overdracht van het Surinaams onroerend goed, althans tot betaling van een bedrag uit hoofde van zijn verplichtingen jegens de (ontbonden) huwelijksgemeenschap, althans de vrouw, ter hoogte van 100% van de huidige waarde van het onroerend goed, overeenkomstig het nog over te leggen taxatierapport van [naam taxateur] , althans € 244.116,-, althans 50% van de huidige waarde van het onroerend goed, althans € 122.056,-, althans een zodanig bedrag aan schadevergoeding als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, te verhogen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment van het plegen van de onrechtmatige daad op 17 april 2007;
- de man te veroordelen tot betaling van de door de vrouw geleden schade van
- te verklaren voor recht dat de man gehouden is de schade te betalen die de vrouw heeft geleden en nog lijdt door zijn onrechtmatig handelen ter zake de overdracht van het Surinaams onroerend goed, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
meer subsidiair
zowel primair als (meer) subsidiair
- te bepalen dat deze uitspraak tevens is aan te merken als een akte benodigd voor de uitvoering van de voorgeschreven leveringshandelingen voor het aan de man toebedeelde onroerend goed en in de plaats treedt van de notariële en - voor zover nodig - onderhandse akte(n), indien de man niet binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis meewerkt aan het passeren van een akte tot levering van het aan hem toebedeelde onroerend goed;
- de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties inclusief de kosten van de gelegde beslagen, de nakosten van de advocaat daarbij te begroten, onder de bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na de dag waarop het arrest is gewezen aan de vrouw zijn voldaan, daarover vanaf de veertiende dag wettelijke wettelijk rente verschuldigd is.
Procesrechtelijk
Inleiding
Omvang en kern van het geschil
- een deskundigenbericht van het Nationaal Forensisch Instituut van 15 april 2016 waaruit blijkt dat bij de onderzoeker op basis van zijn onderzoek aan de hand van het hem ter beschikking gestelde materiaal zwaarwegende grond voor twijfel aan de authenticiteit van de betwiste handtekening bestaat;
- een brief van 30 juli 2008 van de Dienst Burgerzaken van de gemeente Den Haag aan de voormalige juridisch adviseur van de vrouw waarin wordt bericht dat de heer [naam ambtenaar] , die de handtekening van de vrouw gelegaliseerd zou hebben, niet bij de Dienst Burgerzaken bekend is. Voorts wordt geadviseerd proces-verbaal op te laten maken inzake de onderhandse verkoopvolmacht bij de regiopolitie Haaglanden;
- een brief van 2 september 2014 van de Dienst Burgerzaken aan de huidige advocaat van de vrouw waarin wordt meegedeeld dat de geplaatste legalisatie op de onderhandse verkoopvolmacht op diverse plaatsen niet correct is ingevuld, met name:
- een brief van 13 januari 2009 van de Dienst Burgerzaken aan de toenmalig juridische adviseur van de vrouw waarin wordt vermeld dat de Dienst Burgerzaken naar aanleiding van de brief van 30 september 2008 van die juridische adviseur proces-verbaal op heeft laten maken;
- een e-mailbericht van 10 januari 2018 van de Backoffice Burgerzaken Advies te Den Haag aan de huidige advocaat van de vrouw waarin voor de door de advocaat gestelde vragen:
(het hof begrijpt: 2 september 2014)van de Dienst Burgerzaken en waarin voorts wordt gemeld dat legalisaties alleen worden gedaan door medewerkers in vaste dienst;
‘en zo nodig op latere data’, zodat het hof daar eveneens aan voorbij gaat.
€ 338.635,- overeenkomstig de door haar in hoger beroep overgelegde taxatierapporten met toelichting.
Beslissing
- de man daarin is veroordeeld ter zake van de verkoop van de percelen grond in Suriname aan de vrouw te voldoen een bedrag 75.000,- Surinaamse dollar, om te rekenen in euro’s tegen de wisselkoers per de datum van de notariële transportakte, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 dagen na de betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening
- het de proceskostenveroordeling betreft